BWBR0010351
Geldig vanaf 1999-04-02
Artikel 2
Regeling tegemoetkoming meerkosten in verband met herplaatsing personeel van ziekenhuisscholen per 1 augustus 1999
1. Schoolbegeleidingsdiensten en educatieve voorzieningen die met ingang van 1 augustus 1999 personeel benoemen, respectievelijk aanstellen, en waarvoor de vergoeding, verminderd met het in het derde lid bedoelde percentage voor niet-personele kosten, niet toereikend is voor de daaruit voortvloeiende personele kosten komen voor een financiele tegemoetkoming in aanmerking.
2. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt uitsluitend verstrekt indien het verschil voortvloeit uit de inschaling van het personeel per 31 juli 1999 of de totale betrekkingsomvang van dat personeel op die datum.</AL> <AL>3. Bij de vaststelling van voornoemde tegemoetkoming wordt ervan uitgegaan dat een door de minister vast te stellen percentage van het totaal van de voor elke schoolbegeleidingsdienst bestemde specifieke uitkering, respectievelijk de aan elke educatieve voorziening toegekende subsidie, beschikbaar is voor de vergoeding van niet-personele kosten.
3. Bij de vaststelling van voornoemde tegemoetkoming wordt ervan uitgegaan dat een door de minister vast te stellen percentage van het totaal van de voor elke schoolbegeleidingsdienst bestemde specifieke uitkering, respectievelijk de aan elke educatieve voorziening toegekende subsidie, beschikbaar is voor de vergoeding van niet-personele kosten.
4. De minister stelt het percentage voor niet-personele kosten per kalenderjaar vast en maakt dit voor de aanvang van het desbetreffende kalenderjaar bekend aan de besturen van de schoolbegeleidingsdiensten en educatieve voorzieningen. Voor het tijdvak 1 augustus tot en met 31 december 1999 wordt dit percentage voor 1 mei 1999 bekendgemaakt.
2. De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming wordt uitsluitend verstrekt indien het verschil voortvloeit uit de inschaling van het personeel per 31 juli 1999 of de totale betrekkingsomvang van dat personeel op die datum.</AL> <AL>3. Bij de vaststelling van voornoemde tegemoetkoming wordt ervan uitgegaan dat een door de minister vast te stellen percentage van het totaal van de voor elke schoolbegeleidingsdienst bestemde specifieke uitkering, respectievelijk de aan elke educatieve voorziening toegekende subsidie, beschikbaar is voor de vergoeding van niet-personele kosten.
3. Bij de vaststelling van voornoemde tegemoetkoming wordt ervan uitgegaan dat een door de minister vast te stellen percentage van het totaal van de voor elke schoolbegeleidingsdienst bestemde specifieke uitkering, respectievelijk de aan elke educatieve voorziening toegekende subsidie, beschikbaar is voor de vergoeding van niet-personele kosten.
4. De minister stelt het percentage voor niet-personele kosten per kalenderjaar vast en maakt dit voor de aanvang van het desbetreffende kalenderjaar bekend aan de besturen van de schoolbegeleidingsdiensten en educatieve voorzieningen. Voor het tijdvak 1 augustus tot en met 31 december 1999 wordt dit percentage voor 1 mei 1999 bekendgemaakt.