BWBR0010023
Geldig vanaf 1998-12-01
Artikel 2
Regeling getuigschrift vakbekwaamheid
1. De bestuurder is gedurende zes weken onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop het examen ter verkrijging van een erkend getuigschrift van vakbekwaamheid plaatsvindt, dan wel, indien dat examen uit meerdere onderdelen bestaat, gedurende zes weken onmiddellijk voorafgaande aan het laatste onderdeel van dat examen, vrijgesteld van artikel 2.7:2 van het Besluit, indien hij een oproepkaart van een bij deze regeling erkende instantie bij zich heeft.
2. De bestuurder, bedoeld in artikel 2.7:2 van het Besluit, die in het kader van de Stichting Landelijk Orgaan Beroepsonderwijs Transport en Logistiek een opleiding voor het beroep van chauffeur volgt, is gedurende een aaneengesloten periode van twintig weken, waarvan de aanvang wordt bepaald door de consulent van genoemde Stichting, na overleg met de leermeester, vrijgesteld van artikel 2.7:2 van het Besluit, mits hij die periode optekent in het praktijktakenboek, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en dit takenboek alsmede een door de Stichting afgegeven verklaring als bedoeld in het derde lid bij zich heeft.
3. De in het tweede lid bedoelde verklaring bevat in ieder geval:
a. naam en adres van de instelling;
b. naam, geboortedatum en adres van de betrokken bestuurder;
c. de datum waarop de bestuurder daadwerkelijk bij genoemde instelling is ingeschreven;
d. de datum waarop de in het tweede lid bedoelde periode van twintig weken is aangevangen.
2. De bestuurder, bedoeld in artikel 2.7:2 van het Besluit, die in het kader van de Stichting Landelijk Orgaan Beroepsonderwijs Transport en Logistiek een opleiding voor het beroep van chauffeur volgt, is gedurende een aaneengesloten periode van twintig weken, waarvan de aanvang wordt bepaald door de consulent van genoemde Stichting, na overleg met de leermeester, vrijgesteld van artikel 2.7:2 van het Besluit, mits hij die periode optekent in het praktijktakenboek, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, en dit takenboek alsmede een door de Stichting afgegeven verklaring als bedoeld in het derde lid bij zich heeft.
3. De in het tweede lid bedoelde verklaring bevat in ieder geval:
a. naam en adres van de instelling;
b. naam, geboortedatum en adres van de betrokken bestuurder;
c. de datum waarop de bestuurder daadwerkelijk bij genoemde instelling is ingeschreven;
d. de datum waarop de in het tweede lid bedoelde periode van twintig weken is aangevangen.