BWBR0010001
Geldig vanaf 1998-11-20
Artikel 2
Instelling Toetsingscommissie Centra voor Ontwikkeling van Palliatieve Zorg
1. Er is een Toetsingscommissie Centra voor Ontwikkeling van Palliatieve Zorg.
2. De toetsingscommissie heeft als doel het stimuleren en faciliteren van de ontwikkeling van palliatieve zorg in de terminale fase, meer in het bijzonder het zorgdragen voor een landelijk dekkend netwerk van centra voor de ontwikkeling van palliatieve zorg.
3. De toetsingscommissie heeft tot taak het toetsen van projectvoorstellen van de zes Centra voor Ontwikkeling van Palliatieve Zorg (COPZ). De toetsingscommissie beoordeelt in hoeverre een projectvoorstel van COPZ Amsterdam, COPZ Groningen, COPZ Maastricht, COPZ Nijmegen, COPZ Rotterdam of COPZ Utrecht in aanmerking komt voor subsidiëring.
4. De toetsingscommissie hanteert bij de beoordeling van de projectvoorstellen van de COPZ’s de volgende criteria:
samenhang tussen de projecten;
haalbaarheid;
relevantie voor patiënten en hun naasten;
voorkoming van dubbeling/evidente lacunes;
continuïteit na afloop van het project;
direct (danwel indirect) aantoonbaar belang voor de patiënt;
prioriteit;
financiële onderbouwing.
5. De minister kan de toetsingscommissie ten aanzien van de uitvoering van de taak als bedoeld in het tweede lid, bijzondere aanwijzingen geven.
2. De toetsingscommissie heeft als doel het stimuleren en faciliteren van de ontwikkeling van palliatieve zorg in de terminale fase, meer in het bijzonder het zorgdragen voor een landelijk dekkend netwerk van centra voor de ontwikkeling van palliatieve zorg.
3. De toetsingscommissie heeft tot taak het toetsen van projectvoorstellen van de zes Centra voor Ontwikkeling van Palliatieve Zorg (COPZ). De toetsingscommissie beoordeelt in hoeverre een projectvoorstel van COPZ Amsterdam, COPZ Groningen, COPZ Maastricht, COPZ Nijmegen, COPZ Rotterdam of COPZ Utrecht in aanmerking komt voor subsidiëring.
4. De toetsingscommissie hanteert bij de beoordeling van de projectvoorstellen van de COPZ’s de volgende criteria:
samenhang tussen de projecten;
haalbaarheid;
relevantie voor patiënten en hun naasten;
voorkoming van dubbeling/evidente lacunes;
continuïteit na afloop van het project;
direct (danwel indirect) aantoonbaar belang voor de patiënt;
prioriteit;
financiële onderbouwing.
5. De minister kan de toetsingscommissie ten aanzien van de uitvoering van de taak als bedoeld in het tweede lid, bijzondere aanwijzingen geven.