BWBR0009989
Geldig vanaf 1998-12-01
Artikel 6
Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol
1. Het door de Minister benoemde lid van het algemeen bestuur wordt benoemd voor onbepaalde tijd.
2. De leden, bedoeld in artikel 5, derde lid, worden aangewezen voor de zittingsduur van vier jaar. Een lid, als bedoeld in artikel 5, treedt af op de dag waarop de zittingsperiode van het bestuursorgaan dat het desbetreffende lid heeft aangewezen afloopt.
3. Het bestuursorgaan dat een lid van het Algemeen Bestuur aanwijst zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, besluit in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van het lid en zijn plaatsvervanger van het Algemeen Bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen.
4. Een lid van het algemeen bestuur dat ophoudt lid of voorzitter van het bestuursorgaan te zijn dat hem als lid van het algemeen bestuur heeft aangewezen, houdt daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.
5. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen.
Hij deelt zijn ontslag mede aan het bestuursorgaan dat hem op grond van artikel 5, tweede of derde lid, heeft aangewezen.
6. Indien tussentijds een plaats van een lid van het algemeen bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het bestuursorgaan dat het lid op grond van artikel 5, derde lid, heeft aangewezen of, indien het een door de Minister aangewezen lid betreft, de Minister zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen twee maanden, een nieuw lid aan.
7. Van elke aanwijzing of wijziging daarin doet het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente, het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, of de Minister schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur.
2. De leden, bedoeld in artikel 5, derde lid, worden aangewezen voor de zittingsduur van vier jaar. Een lid, als bedoeld in artikel 5, treedt af op de dag waarop de zittingsperiode van het bestuursorgaan dat het desbetreffende lid heeft aangewezen afloopt.
3. Het bestuursorgaan dat een lid van het Algemeen Bestuur aanwijst zoals bedoeld in artikel 5, derde lid, besluit in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van het lid en zijn plaatsvervanger van het Algemeen Bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen.
4. Een lid van het algemeen bestuur dat ophoudt lid of voorzitter van het bestuursorgaan te zijn dat hem als lid van het algemeen bestuur heeft aangewezen, houdt daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.
5. Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen.
Hij deelt zijn ontslag mede aan het bestuursorgaan dat hem op grond van artikel 5, tweede of derde lid, heeft aangewezen.
6. Indien tussentijds een plaats van een lid van het algemeen bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het bestuursorgaan dat het lid op grond van artikel 5, derde lid, heeft aangewezen of, indien het een door de Minister aangewezen lid betreft, de Minister zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen twee maanden, een nieuw lid aan.
7. Van elke aanwijzing of wijziging daarin doet het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente, het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, of de Minister schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur.