BWBR0009925
Geldig vanaf 1998-10-10
Artikel 3
Beleidsregel gemengde leerweg aan aoc's na bestuurlijke samenwerking 1999-2002
De aanvrager voldoet aan de volgende voorwaarden:
1. De aanvrager is een bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst aangegaan met een categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo;
2. Ten aanzien van een bestuurlijke samenwerking geldt bovendien dat: a. de vbo-groen vestiging van het AOC waarvoor toestemming wordt gevraagd en de categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo een substantiële onderlinge relatie in hetzelfde wervingsgebied hebben, en b. de bevoegd gezagsorganen een samenwerkingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten waarin is vastgelegd op welke wijze vorm wordt gegeven aan de bestuurlijke samenwerking om de gemengde leerweg goed te kunnen uitvoeren. De overeenkomst dient ten minste de volgende onderdelen te bevatten: – uitwisseling van expertise; – leerlingbegeleiding, en – toetsing en afsluiting.
– uitwisseling van expertise;
– leerlingbegeleiding, en
– toetsing en afsluiting.
a. de vbo-groen vestiging van het AOC waarvoor toestemming wordt gevraagd en de categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo een substantiële onderlinge relatie in hetzelfde wervingsgebied hebben, en
b. de bevoegd gezagsorganen een samenwerkingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten waarin is vastgelegd op welke wijze vorm wordt gegeven aan de bestuurlijke samenwerking om de gemengde leerweg goed te kunnen uitvoeren. De overeenkomst dient ten minste de volgende onderdelen te bevatten: – uitwisseling van expertise; – leerlingbegeleiding, en – toetsing en afsluiting.
– uitwisseling van expertise;
– leerlingbegeleiding, en
– toetsing en afsluiting.
3. Uit de aanvraag blijkt dat de aanvrager de bevoegde gezagsorganen van de andere dan de in het eerste lid bedoelde scholen en scholengemeenschappen uit het wervingsgebied van de aanvrager in kennis heeft gesteld van de voorgenomen aanvraag en hen tijdig de gelegenheid tot overleg over dat voornemen heeft geboden.
4. Indien de in het eerste lid bedoelde scholen onder één bevoegd gezag ressorteren, stelt dit bevoegd gezag de uitwerking van de onderdelen van het tweede lid vast in een inrichtingsdocument
1. De aanvrager is een bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst aangegaan met een categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo;
2. Ten aanzien van een bestuurlijke samenwerking geldt bovendien dat: a. de vbo-groen vestiging van het AOC waarvoor toestemming wordt gevraagd en de categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo een substantiële onderlinge relatie in hetzelfde wervingsgebied hebben, en b. de bevoegd gezagsorganen een samenwerkingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten waarin is vastgelegd op welke wijze vorm wordt gegeven aan de bestuurlijke samenwerking om de gemengde leerweg goed te kunnen uitvoeren. De overeenkomst dient ten minste de volgende onderdelen te bevatten: – uitwisseling van expertise; – leerlingbegeleiding, en – toetsing en afsluiting.
– uitwisseling van expertise;
– leerlingbegeleiding, en
– toetsing en afsluiting.
a. de vbo-groen vestiging van het AOC waarvoor toestemming wordt gevraagd en de categoriale school voor mavo of scholengemeenschap met ten minste een school voor mavo een substantiële onderlinge relatie in hetzelfde wervingsgebied hebben, en
b. de bevoegd gezagsorganen een samenwerkingsovereenkomst met elkaar hebben gesloten waarin is vastgelegd op welke wijze vorm wordt gegeven aan de bestuurlijke samenwerking om de gemengde leerweg goed te kunnen uitvoeren. De overeenkomst dient ten minste de volgende onderdelen te bevatten: – uitwisseling van expertise; – leerlingbegeleiding, en – toetsing en afsluiting.
– uitwisseling van expertise;
– leerlingbegeleiding, en
– toetsing en afsluiting.
3. Uit de aanvraag blijkt dat de aanvrager de bevoegde gezagsorganen van de andere dan de in het eerste lid bedoelde scholen en scholengemeenschappen uit het wervingsgebied van de aanvrager in kennis heeft gesteld van de voorgenomen aanvraag en hen tijdig de gelegenheid tot overleg over dat voornemen heeft geboden.
4. Indien de in het eerste lid bedoelde scholen onder één bevoegd gezag ressorteren, stelt dit bevoegd gezag de uitwerking van de onderdelen van het tweede lid vast in een inrichtingsdocument