BWBR0009877
Geldig vanaf 1998-10-01
Artikel 5
Financieringsregeling hoofdstuk 7 Wet arbeid en zorg
1. De Minister stelt jaarlijks vóór 31 oktober de omvang van de middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds ten behoeve van hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorgover het afgelopen kalenderjaar definitief vast, voor zover deze worden gefinancierd uit de rijksbijdrage, als bedoeld in artikel 2, eerste lid.
2. In het besluit, als bedoeld in het eerste lid, wordt afzonderlijk vermeld:
a. de omvang van de middelen tot dekking van de aan verlofgangers, als bedoeld in artikel 4, betaalde lasten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° en 3°;
b. de omvang van de middelen tot dekking van de aan verlofgangers betaalde lasten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° en 3°, voorzover deze samenhangen met tegemoetkomingen met betrekking tot verlofgangers die worden vervangen door een WWB-gerechtigde, een IOAW-gerechtigde, een IOAZ-gerechtigde, een Wajong-gerechtigde, een vervanger met een wachtgelduitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling en een vervanger zonder uitkering, alsmede samenloopgevallen als bedoeld in artikel 2, derde lid;
c. de omvang van de middelen tot dekking van de aan de uitvoering van in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg verbonden uitvoeringskosten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2o, met betrekking tot alle verlofgangers;
d. de omvang van de middelen, die op grond van artikel 30, derde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen, zijn of worden overgeheveld naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
3. De rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, is de som van de omvang van de middelen, bedoeld in het tweede lid, onder b en c.
4. Indien de op grond van het derde lid vastgestelde rijksbijdrage aan het Algemeen Werkloosheidsfonds ten behoeve van in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorgafwijkt van de op basis van deze regeling over hetzelfde kalenderjaar betaalde bedragen vindt een definitieve afrekening met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten gunste of ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds plaats.
2. In het besluit, als bedoeld in het eerste lid, wordt afzonderlijk vermeld:
a. de omvang van de middelen tot dekking van de aan verlofgangers, als bedoeld in artikel 4, betaalde lasten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° en 3°;
b. de omvang van de middelen tot dekking van de aan verlofgangers betaalde lasten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° en 3°, voorzover deze samenhangen met tegemoetkomingen met betrekking tot verlofgangers die worden vervangen door een WWB-gerechtigde, een IOAW-gerechtigde, een IOAZ-gerechtigde, een Wajong-gerechtigde, een vervanger met een wachtgelduitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling en een vervanger zonder uitkering, alsmede samenloopgevallen als bedoeld in artikel 2, derde lid;
c. de omvang van de middelen tot dekking van de aan de uitvoering van in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg verbonden uitvoeringskosten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2o, met betrekking tot alle verlofgangers;
d. de omvang van de middelen, die op grond van artikel 30, derde lid, van de Wet financiering volksverzekeringen, zijn of worden overgeheveld naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
3. De rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, is de som van de omvang van de middelen, bedoeld in het tweede lid, onder b en c.
4. Indien de op grond van het derde lid vastgestelde rijksbijdrage aan het Algemeen Werkloosheidsfonds ten behoeve van in hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorgafwijkt van de op basis van deze regeling over hetzelfde kalenderjaar betaalde bedragen vindt een definitieve afrekening met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten gunste of ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds plaats.