1. Voor de toepassing van
artikel 8, eerste lid, van het besluit wordt onder inkomen verstaan:
a. loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van die wet;
b. winst uit onderneming als bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die wet, alsmede belastbare winst uit Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, met uitzondering van de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdelen a, b en c, van die wet;
c. al hetgeen anders dan uit dienstbetrekking in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt genoten als belastbaar loon uit tegenwoordige arbeid of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in hoofdstuk 3 en 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, behoudens voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van die wet;
d. een uitkering op grond van de ZW, de WW, de WAO, de WAZ, de WAJONG, de Toeslagenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet werk en inkomen kunstenaars, de Algemene nabestaandenwet of de Algemene ouderdomswet, alsmede een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
2. Voor de toepassing van
artikel 8, eerste lid, van het besluitwordt, voorzover het ingevolge het eerste lid niet reeds als inkomen wordt aangemerkt, mede onder inkomen verstaan:
a. een uitkering, toelage, loon- of inkomenssuppletie op grond van de Wet;
b. een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 of een uitkering op grond van een regeling die op grond van artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 daarmee is gelijkgesteld;
c. een herplaatsingstoelage op grond van een pensioenregeling voor overheidswerknemers in de zin van artikel 1, onderdeel l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemers-verzekeringen, alsmede een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;
d. een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 of een uitkering op grond van een regeling die op grond van artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964 daarmee is gelijkgesteld;
e. een periodieke uitkering op grond van een particuliere ziekte- of ongevallenverzekering;
f. een uitkering op grond van een pensioenregeling waaraan deelneming is verplicht gesteld op grond van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling;
g. termijnen van lijfrenten, aan een meerderjarige verstrekt door een lichaam dat een levensverzekeringsbedrijf uitoefent;
h. uitkeringen op grond van de Ongevallenwet 1921, de Land- en Tuinbouwongevallenwet 1922 en de Zeeongevallenwet 1919 in verbinding met de Liquidatiewet ongevallenwetten;
i. uitkeringen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 en op grond van de Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers;
j. uitkeringen op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling en de beschikking van de Luitenant-Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië van 5 november 1946, nr. 6, alsmede op deze uitkeringen betrekking hebbende toe- en bijslagen;
k. uitkeringen uit de Stichting 1940-1945, de Stichting Friesland 1940-1945 en de Stichting Hulp voor nagelaten betrekkingen voor illegale strijders (Stichting Sneek 1940-1945);
l. uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet Uitkeringen Burger-Oorlogsslachtoffers 1940-1945.