BWBR0009818
Geldig vanaf 1998-08-09
Artikel 10
Subsidieregeling sanering verzamelcentra varkens
1. De voorzitter stelt de subsidie of, indien artikel 6van toepassing is, subsidies vast in drie gelijke jaarlijkse termijnen.
2. De subsidieontvanger verzoekt jaarlijks om subsidievaststelling, de eerste maal binnen één maand na de subsidieverlening.
3. De subsidieontvanger beëindigt vóór de eerste aanvraag om subsidievaststelling de exploitatie van het verzamelcentrum. Bij de eerste aanvraag tot subsidievaststelling voegt de subsidieontvanger een verklaring van een accountant waarin deze gemotiveerd verklaart dat hem is gebleken dat de exploitatie van het betrokken verzamelcentrum is gestaakt, alsmede een bewijs van de vernietiging als bedoeld in artikel 9, tweede lid.
4. De voorzitter is bevoegd om van de beëindiging aanvullend bewijs te vragen en om te verlangen dat een door de voorzitter aangewezen ambtenaar van het Productschap aanwezig is bij het vernietigen van de inventaris.
5. De derde jaarlijkse termijn wordt vastgesteld voorzover het Productschap in het derde jaar na de subsidieverlening over de benodigde middelen beschikt uit een daartoe in te stellen heffingsverordening. Indien wegens gebrek aan middelen slechts een deel van de derde jaarlijkse termijn wordt vastgesteld, wordt het resterende deel van de derde termijn een jaar later vastgesteld, voorzover de ontvangsten uit de heffingsverordening in dat jaar toereikend zijn, een en ander totdat de derde jaarlijkse termijn volledig is uitbetaald.
2. De subsidieontvanger verzoekt jaarlijks om subsidievaststelling, de eerste maal binnen één maand na de subsidieverlening.
3. De subsidieontvanger beëindigt vóór de eerste aanvraag om subsidievaststelling de exploitatie van het verzamelcentrum. Bij de eerste aanvraag tot subsidievaststelling voegt de subsidieontvanger een verklaring van een accountant waarin deze gemotiveerd verklaart dat hem is gebleken dat de exploitatie van het betrokken verzamelcentrum is gestaakt, alsmede een bewijs van de vernietiging als bedoeld in artikel 9, tweede lid.
4. De voorzitter is bevoegd om van de beëindiging aanvullend bewijs te vragen en om te verlangen dat een door de voorzitter aangewezen ambtenaar van het Productschap aanwezig is bij het vernietigen van de inventaris.
5. De derde jaarlijkse termijn wordt vastgesteld voorzover het Productschap in het derde jaar na de subsidieverlening over de benodigde middelen beschikt uit een daartoe in te stellen heffingsverordening. Indien wegens gebrek aan middelen slechts een deel van de derde jaarlijkse termijn wordt vastgesteld, wordt het resterende deel van de derde termijn een jaar later vastgesteld, voorzover de ontvangsten uit de heffingsverordening in dat jaar toereikend zijn, een en ander totdat de derde jaarlijkse termijn volledig is uitbetaald.