BWBR0009706
Geldig vanaf 1998-07-01
Artikel IV
Wijzigingswet Algemene nabestaandenwet in verband met gebleken onbillijkheden
1. Voor de nabestaande wiens uitkering op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onderdeel b, zoals dit onderdeel op de dag voor inwerkingtreding van deze wet luidde, is geëindigd in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Algemene nabestaandenwet, herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand dat hij deze gezamenlijke huishouding uiterlijk binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze wet, niet meer voert.
2. De Bank, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene nabestaandenwet, kan, in afwijking van het eerste lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2. De Bank, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene nabestaandenwet, kan, in afwijking van het eerste lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.