1. De afzender, genoemd in
artikel 36, eerste lid, van de wet, doet zijn brief in een gesloten envelop en adresseert deze aan de verpleegde. De afzender sluit de envelop af en voegt deze in een andere envelop en adresseert deze aan het hoofd van de inrichting met het verzoek de bijgesloten envelop aan de verpleegde uit te reiken. De afzender dient er zorg voor te dragen dat voor het hoofd van de inrichting kenbaar is in welke hoedanigheid de afzender de brief heeft geschreven.
2. Indien het hoofd van de inrichting het met het oog op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen noodzakelijk acht de binnenste envelop van de brief of het andere poststuk te openen, dan dient hij dit, voor zover mogelijk, in het bijzijn van de verpleegde te doen.
3. In het geval dat een envelop kennelijk afkomstig is van een van de personen of instanties genoemd in artikel 36, eerste lid, van de wet, maar niet een dubbele envelop is gebruikt, wordt, indien het hoofd van de inrichting het noodzakelijk oordeelt de envelop te openen, dezelfde procedure toegepast als vermeld in het tweede lid.
4. In het geval dat de envelop of ander poststuk niet herkenbaar is als zijnde afkomstig van een persoon of instantie, genoemd in
artikel 36, eerste lid, van de wet, dan is het hoofd van de inrichting niet gebonden aan het eerste tot en met het derde lid.