BWBR0009674
Geldig vanaf 2003-12-03
Artikel 10d
Uitvoeringsbesluit WIK
1. De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vangt aan na de periode van tien jaar, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de WIK, of zoveel eerder als de termijn van vier jaar, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de WIKis verstreken.
2. De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vindt maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.
4. Bij een inkomen van de belanghebbende en zijn gezin als bedoeld in artikel 31 van de Wet werk en bijstanddat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in de paragrafen 3.1, 3.2en 3.3van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd.
5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
6. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de belanghebbende en zijn gezin komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen van de belanghebbende.
7. Indien de belanghebbende en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
2. De aflossing van de geldlening onder verband van hypotheek vindt maandelijks plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.
4. Bij een inkomen van de belanghebbende en zijn gezin als bedoeld in artikel 31 van de Wet werk en bijstanddat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, bedoeld in de paragrafen 3.1, 3.2en 3.3van genoemde wet, wordt geen aflossing gevergd.
5. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
6. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de belanghebbende en zijn gezin komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen van de belanghebbende.
7. Indien de belanghebbende en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.