BWBR0009609
Geldig vanaf 1998-07-01
Artikel 18
Reïntegratie-instrumenten-besluit Wet REA
1. De hoogte van de loonsuppletie bedraagt:
a. gedurende het eerste jaar 100%,
b. gedurende het tweede jaar 75%,
c. gedurende het derde jaar 50% en
d. gedurende het vierde jaar 25%
van het verschil tussen het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de theoretische verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot het feitelijk door betrokkene per uur verdiende loon en het bedrag van de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of, indien geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, het bedrag van de theoretische verdiencapaciteit, met dien verstande dat de loonsuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn theoretische verdiencapaciteit.
2. Indien betrokkene in de dienstbetrekking waarvoor loonsuppletie wordt verstrekt minder uren werkt dan waartoe hij bij de theoretische vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in staat wordt geacht, wordt het bedrag van de loonsuppletie vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren waarin in deze dienstbetrekking arbeid wordt verricht en de noemer door het aantal uren waarop de resterende theoretische verdiencapaciteit is gebaseerd.
3. De loonsuppletie bedraagt tezamen met het loon en, indien van toepassing,
a. het inkomen uit bedrijf of beroep,
b. de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 15,
c. een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
d. een uitkering op grond van de Ziektewet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering,
e. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, of
f. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg,
niet meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 2 van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong.
a. gedurende het eerste jaar 100%,
b. gedurende het tweede jaar 75%,
c. gedurende het derde jaar 50% en
d. gedurende het vierde jaar 25%
van het verschil tussen het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die zou worden verkregen indien de theoretische verdiencapaciteit per uur bezien zou worden verlaagd tot het feitelijk door betrokkene per uur verdiende loon en het bedrag van de feitelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering of, indien geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, het bedrag van de theoretische verdiencapaciteit, met dien verstande dat de loonsuppletie niet meer bedraagt dan 20% van zijn theoretische verdiencapaciteit.
2. Indien betrokkene in de dienstbetrekking waarvoor loonsuppletie wordt verstrekt minder uren werkt dan waartoe hij bij de theoretische vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in staat wordt geacht, wordt het bedrag van de loonsuppletie vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller wordt gevormd door het aantal uren waarin in deze dienstbetrekking arbeid wordt verricht en de noemer door het aantal uren waarop de resterende theoretische verdiencapaciteit is gebaseerd.
3. De loonsuppletie bedraagt tezamen met het loon en, indien van toepassing,
a. het inkomen uit bedrijf of beroep,
b. de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 15,
c. een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
d. een uitkering op grond van de Ziektewet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering,
e. een uitkering op grond van de Werkloosheidswet of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, of
f. een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg,
niet meer dan het voor betrokkene vastgestelde maatmaninkomen, bedoeld in artikel 2 van het Schattingsbesluit WAO, Waz en Wajong.