1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen verleent voor het schooljaar 1997–1998 een ontheffing op de grond, genoemd in de
artikelen 13b, vijfde lid, onderdeel a, en
13c, derde lid, van het Formatiebesluit WBO 1992, de artikelen B 16i.1, vijfde lid, onderdeel a, en B 16i.2, derde lid, C 15i.1, vijfde lid, onderdeel a, en C 15i.2, derde lid, D 12i.1, vijfde lid, onderdeel a, en D 12i.2, derde lid, F 13i.1, vijfde lid, onderdeel a, en F 13i.2, derde lid, van het
Besluit trekkende bevolking WBO, en de
artikelen 20b, vijfde lid, onderdeel a, en
20c, derde lid, van het Formatiebesluit ISOVSO 1992, indien het aantal formatierekeneenheden dat het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, van een school voor speciaal onderwijs, van een school voor voortgezet speciaal onderwijs, van een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of van een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, kan herbezetten in verband met uitbreiding van de arbeidsduurverkorting en toepassing van de regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, bedoeld in hoofdstuk I-V van het
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, en na vermindering met 60% van het aantal formatierekeneenheden dat overeenkomt met de opslag vanwege herbezetting in verband met uitbreiding van de arbeidsduurverkorting en toepassing van de genoemde regeling bevordering arbeidsparticipatie ouderen, gelijk is aan of kleiner dan 38.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor algemeen voortgezet onderwijs of voor voorbereidend beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 5 van het Formatiebesluit W.V.O., met dien verstande dat voor «formatierekeneenheden» wordt gelezen «fulltime equivalenten» en dat voor «38» wordt gelezen «0,2».
3. In afwijking van de in het eerste en tweede lid genoemde artikelen behoeft het bevoegd gezag geen verzoek tot toepassing van de in het eerste en tweede lid genoemde artikelen in te dienen.