BWBR0009462
Geldig vanaf 1998-03-20
Artikel 10
Infrastructuurregeling glastuinbouwgebieden
1. Onverminderd het tweede lid worden als subsidiabele kosten van een project uitsluitend aangemerkt:
a. de kosten van de in bijlage 1 opgenomen activiteiten, voorzover bestaande uit de som waartegen die activiteiten overeenkomstig artikel 9 zijn aanbesteed, exclusief verrekenbare omzetbelasting;
b. de kosten van de, ten behoeve van de aanleg of verbetering van de infrastructurele voorziening noodzakelijke, verwerving van grond, voorzover bestaande uit de aankoopprijs en de met de aankoop verband houdende notariële kosten, exclusief verrekenbare omzetbelasting, dan wel, indien de verwerving geschiedt bij wege van onteigening, voorzover bestaande uit de betaalde schadeloosstelling, de in verband met de onteigening gemaakte proceskosten tot vergoeding waarvan de onteigenende partij is veroordeeld, alsmede de noodzakelijke kosten van bekendmaking van de onteigening;
c. de kosten van de, ten behoeve van de aanleg van landschappelijke of recreatieve voorzieningen noodzakelijke, verwerving van grond, voorzover bestaande uit de aankoopprijs en de met de aankoop verband houdende notariële kosten, exclusief verrekenbare omzetbelasting, dan wel, indien de verwerving geschiedt bij wege van onteigening, voorzover bestaande uit de betaalde schadeloosstelling, de in verband met de onteigening gemaakte proceskosten tot vergoeding waarvan de onteigenende partij is veroordeeld, en de noodzakelijke kosten van bekendmaking van de onteigening, en de kosten van de in bijlage 2 opgenomen activiteiten, bestaande uit de som waartegen die activiteiten overeenkomstig artikel 9 zijn aanbesteed, in totaal tot ten hoogste 2% van de som van de in onderdeel a en b bedoelde subsidiabele kosten, en
d. de kosten van de voorbereiding en directievoering door derden, niet zijnde bestuursorganen, exclusief verrekenbare omzetbelasting.
2. Niet als subsidiabele kosten worden aangemerkt de kosten die, gelet op de aard, functie of ligging van de desbetreffende infrastructurele voorziening, in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd.
a. de kosten van de in bijlage 1 opgenomen activiteiten, voorzover bestaande uit de som waartegen die activiteiten overeenkomstig artikel 9 zijn aanbesteed, exclusief verrekenbare omzetbelasting;
b. de kosten van de, ten behoeve van de aanleg of verbetering van de infrastructurele voorziening noodzakelijke, verwerving van grond, voorzover bestaande uit de aankoopprijs en de met de aankoop verband houdende notariële kosten, exclusief verrekenbare omzetbelasting, dan wel, indien de verwerving geschiedt bij wege van onteigening, voorzover bestaande uit de betaalde schadeloosstelling, de in verband met de onteigening gemaakte proceskosten tot vergoeding waarvan de onteigenende partij is veroordeeld, alsmede de noodzakelijke kosten van bekendmaking van de onteigening;
c. de kosten van de, ten behoeve van de aanleg van landschappelijke of recreatieve voorzieningen noodzakelijke, verwerving van grond, voorzover bestaande uit de aankoopprijs en de met de aankoop verband houdende notariële kosten, exclusief verrekenbare omzetbelasting, dan wel, indien de verwerving geschiedt bij wege van onteigening, voorzover bestaande uit de betaalde schadeloosstelling, de in verband met de onteigening gemaakte proceskosten tot vergoeding waarvan de onteigenende partij is veroordeeld, en de noodzakelijke kosten van bekendmaking van de onteigening, en de kosten van de in bijlage 2 opgenomen activiteiten, bestaande uit de som waartegen die activiteiten overeenkomstig artikel 9 zijn aanbesteed, in totaal tot ten hoogste 2% van de som van de in onderdeel a en b bedoelde subsidiabele kosten, en
d. de kosten van de voorbereiding en directievoering door derden, niet zijnde bestuursorganen, exclusief verrekenbare omzetbelasting.
2. Niet als subsidiabele kosten worden aangemerkt de kosten die, gelet op de aard, functie of ligging van de desbetreffende infrastructurele voorziening, in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd.