BWBR0009375
Geldig vanaf 1998-04-01
Artikel 2
Instelling commissies milieuhygiëne luchtvaartterreinen; Seppe
1. In de Commissie hebben zitting:
a. één vertegenwoordiger van de provincie Noord-Brabant;
b. twee vertegenwoordigers van elke gemeente Halderberge, Roosendaal en Rucphen, waarvan tenminste één als vertegenwoordiger van in voornoemde gemeenten woonachtige omwonenden van het luchtvaartterrein Seppe kan worden beschouwd;
c. ten hoogste twee vertegenwoordigers van de exploitant van het luchtvaartterrein Seppe;
d. ten hoogste twee vertegenwoordigers van de gebruikers van luchtvaartuigen, welke geregeld op het luchtvaartterrein Seppe landen en daarvan opstijgen;
e. ten hoogste twee door de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen vertegenwoordigers;
f. één vertegenwoordiger van rechtspersoonlijkheid bezittende milieuorganisaties;
g. één vertegenwoordiger van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
2. De entiteiten als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met g, kiezen elk hun vertegenwoordiger(s) en plaatsvervanger(s) en stellen de Minister van Verkeer en Waterstaat hiervan schriftelijk op de hoogte.
3. De Commissie wijst uit haar midden een voorzitter aan.
a. één vertegenwoordiger van de provincie Noord-Brabant;
b. twee vertegenwoordigers van elke gemeente Halderberge, Roosendaal en Rucphen, waarvan tenminste één als vertegenwoordiger van in voornoemde gemeenten woonachtige omwonenden van het luchtvaartterrein Seppe kan worden beschouwd;
c. ten hoogste twee vertegenwoordigers van de exploitant van het luchtvaartterrein Seppe;
d. ten hoogste twee vertegenwoordigers van de gebruikers van luchtvaartuigen, welke geregeld op het luchtvaartterrein Seppe landen en daarvan opstijgen;
e. ten hoogste twee door de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan te wijzen vertegenwoordigers;
f. één vertegenwoordiger van rechtspersoonlijkheid bezittende milieuorganisaties;
g. één vertegenwoordiger van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
2. De entiteiten als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met g, kiezen elk hun vertegenwoordiger(s) en plaatsvervanger(s) en stellen de Minister van Verkeer en Waterstaat hiervan schriftelijk op de hoogte.
3. De Commissie wijst uit haar midden een voorzitter aan.