BWBR0009360
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 24
Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen
1. In afwijking van artikel 23, tweede lid, is het toegestaan op overige grond compost te gebruiken bij wijze van eenmalige gift in een hoeveelheid van maximaal 200 ton droge stof per hectare, indien dit geschiedt ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een groenvoorziening, een recreatieterrein, een sportcomplex of een golfterrein, waarin bij een plan als bedoeld in de artikelen 7en 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dan wel bij een besluit als bedoeld in artikel 19 van die wetis voorzien, en indien tenminste vier weken voorafgaande aan het gebruik een kennisgeving daarvan aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft plaatsgevonden.
2. De in het eerste lid bedoelde kennisgeving dient te bevatten:
a. naam en adres van de gebruiker;
b. een nauwkeurige omschrijving van de aard van het project, als bedoeld in het eerste lid;
c. een kadastrale aanduiding van de plaats waar het project wordt uitgevoerd alsmede een opgave van de oppervlakte van de locatie;
d. het voorgenomen tijdstip van uitvoering van het project;
e. naam en adres van de leverancier van het product;
f. de gegevens, als bedoeld in artikel 8 van dit besluit, omtrent de hoedanigheid en samenstelling van het product.
3. Met het in het eerste lid bedoelde gebruik mag eerst worden aangevangen, zodra een bevestiging van ontvangst van de kennisgeving door de gebruiker is ontvangen.
2. De in het eerste lid bedoelde kennisgeving dient te bevatten:
a. naam en adres van de gebruiker;
b. een nauwkeurige omschrijving van de aard van het project, als bedoeld in het eerste lid;
c. een kadastrale aanduiding van de plaats waar het project wordt uitgevoerd alsmede een opgave van de oppervlakte van de locatie;
d. het voorgenomen tijdstip van uitvoering van het project;
e. naam en adres van de leverancier van het product;
f. de gegevens, als bedoeld in artikel 8 van dit besluit, omtrent de hoedanigheid en samenstelling van het product.
3. Met het in het eerste lid bedoelde gebruik mag eerst worden aangevangen, zodra een bevestiging van ontvangst van de kennisgeving door de gebruiker is ontvangen.