BWBR0009313
Geldig vanaf 01-01-1998
Artikel 1
Regeling aanwijzing ambtenaren toezicht en opsporing Binnenschepenwet
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de hoofdstukken II en IV van de Binnenschepenwet bepaalde zijn mede belast:
a. de hoofden en adjunct-hoofden scheepvaartdienst,
b. de hoofdverkeersleiders, verkeersleiders en assistent-verkeersleiders, en
c. de rivier- en kanaalmeesters, van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
2. Met betrekking tot hoofdstuk II van de Binnenschepenwet is het toezicht, bedoeld in het eerste lid, beperkt tot:
a. de aanwezigheid van het certificaat van onderzoek aan boord;
b. de geldigheid van het certificaat van onderzoek;
c. de zone of het vaargebied;
d. de inzinking van het schip ten opzichte van de inzinkingsmerken;
e. bijzondere voorschriften voor het gebruik van het schip als vermeld in het certificaat van onderzoek.
a. de hoofden en adjunct-hoofden scheepvaartdienst,
b. de hoofdverkeersleiders, verkeersleiders en assistent-verkeersleiders, en
c. de rivier- en kanaalmeesters, van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
2. Met betrekking tot hoofdstuk II van de Binnenschepenwet is het toezicht, bedoeld in het eerste lid, beperkt tot:
a. de aanwezigheid van het certificaat van onderzoek aan boord;
b. de geldigheid van het certificaat van onderzoek;
c. de zone of het vaargebied;
d. de inzinking van het schip ten opzichte van de inzinkingsmerken;
e. bijzondere voorschriften voor het gebruik van het schip als vermeld in het certificaat van onderzoek.
- Citeren als
- Art. 1
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0009313
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl