1. Voorzover nodig in afwijking van artikel 9, eerste lid, eerste zin, derde lid, vierde lid, vijfde lid en zevende lid van de wet, is het loon, waarnaar de premies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, eerste zin, van de wet worden geheven ten aanzien van een overheidswerknemer het loon dat die werknemer in een uitbetalingstermijn van dezelfde overheidswerkgever heeft genoten, met dien verstande dat dit loon, herleid naar een jaarbedrag, niet meer kan bedragen dan het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag, bedoeld in
artikel 9, eerste lid, van de wet, te vermenigvuldigen met 261.
2. Voor de vaststelling van de inhouding op grond van
artikel 97d, eerste lid, van de WWwordt het loon, bedoeld in het eerste lid en herleid naar een jaarbedrag, voor zoveel mogelijk verminderd met het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag, bedoeld in
artikel 9, vierde lid, van de wette vermenigvuldigen met 261.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid is het loon uit een deeltijdbetrekking, voor de vaststelling van in het eerste lid bedoelde premies, het krachtens die leden vastgestelde loon vermenigvuldigd met de deeltijdfactor, bedoeld in artikel 1 en in het tweede lid bedoelde inhouding,
onderdeel f, van de
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
4. Het UWV kan het eerste tot en met derde lid overeenkomstig toepassen bij de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde premies over een uitkering op grond van de WAO, WW,
hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of
Ziektewetvan een overheidswerknemer of een gewezen overheidswerknemer. De eerste zin is niet van toepassing indien de uitkering mede wordt ontleend aan een dienstbetrekking anders dan als overheidswerknemer.
5. Voor de toepassing van
artikel 9, zevende lid, van de wetwordt onder dienstbetrekking niet verstaan een dienstbetrekking als overheidswerknemer of een dienstbetrekking die, op grond van
artikel 3a, tweede of derde lid van de wet, geacht wordt te bestaan als gevolg van een uitkering op grond van de WAO, WW
hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg of
Ziektewetontleend aan een dienstbetrekking als overheidswerknemer.
6. Onder uitkering op grond van de
WW, uitkering op grond van
hoofdstuk 3,
afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, respectievelijk uitkering op grond van de
Ziektewet, bedoeld in het vierde lid, wordt mede verstaan wachtgeld, uitkering wegens zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg respectievelijk uitkering wegens ziekte, ongeacht door wie de werkzaamheden met betrekking tot dat wachtgeld of die uitkeringen worden verricht.
7. Onder wachtgeld wordt verstaan: wachtgeld op grond van het
Rijkswachtgeldbesluit 1959of een soortgelijke uitkering van een overheidswerknemer op grond van ontslag of werkloosheid alsmede een wachtgeld of daarmee gelijkgestelde uitkering op grond van de Algemene militaire pensioenwet, met uitzondering van een uitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden.
8. Onder uitkering wegens ziekte wordt verstaan: bezoldiging of uitkering wegens ziekte na beëindiging van het dienstverband als bedoeld in
artikel 42 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals dat luidde op 31 december 1997, of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling.
9. Het zesde tot en met negende lid vervallen op het tijdstip van aanvang van fase 3 van de
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 54 van die wet.