Artikel 1
1. De verhoging van de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenrespectievelijk de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheidwordt aangemerkt als uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigenonderscheidenlijk de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
2. Indien gelijktijdig recht bestaat op twee of meer van de in het eerste lid bedoelde uitkeringen, wordt de verhoging, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheidnaar rato van de uit te betalen uitkeringen aangemerkt als uitkering op grond van de desbetreffende wetten.
2. Indien gelijktijdig recht bestaat op twee of meer van de in het eerste lid bedoelde uitkeringen, wordt de verhoging, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheidnaar rato van de uit te betalen uitkeringen aangemerkt als uitkering op grond van de desbetreffende wetten.