BWBR0009110
Geldig vanaf 1997-12-19
Artikel 9
Regeling permanente eisen taxi’s
1. De in deze regeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle.
2. Bij controle van artikel 4moeten de deuren aan de binnen- en buitenzijde worden geopend en gesloten.
3. Bij controle van artikel 5, tweede lid, moet de nooduitgang aan de binnen- en buitenzijde worden geopend en gesloten.
4. Bij controle van artikel 5, derde lid, onderdeel a, moet het noodhamertje uit de inklemming worden verwijderd en weer aangebracht.
5. Bij controle van artikel 5, derde lid, onderdeel b, moet het noodhamertje uit de inklemming worden verwijderd en moet worden gecontroleerd of het midden van de ruit kan worden bereikt waarna het noodhamertje weer moet worden aangebracht.
6. Bij controle van artikel 5, vierde lid, moet de schuifdeur aan de binnenzijde worden geopend en gesloten.
7. Bij controle van artikel 6, tweede lid, moet de lift in werking worden gesteld.
8. Bij controle van artikel 7, derde lid, moet de vastzetinrichting op het betreffende bevestigingspunt worden aangebracht.
9. Bij controle van artikel 7, vierde lid, moet de vergrendelinrichting worden bediend.
10. Bij controle van artikel 7, vijfde lid, moet worden beproefd of de sluiting van de autogordels functioneert.
2. Bij controle van artikel 4moeten de deuren aan de binnen- en buitenzijde worden geopend en gesloten.
3. Bij controle van artikel 5, tweede lid, moet de nooduitgang aan de binnen- en buitenzijde worden geopend en gesloten.
4. Bij controle van artikel 5, derde lid, onderdeel a, moet het noodhamertje uit de inklemming worden verwijderd en weer aangebracht.
5. Bij controle van artikel 5, derde lid, onderdeel b, moet het noodhamertje uit de inklemming worden verwijderd en moet worden gecontroleerd of het midden van de ruit kan worden bereikt waarna het noodhamertje weer moet worden aangebracht.
6. Bij controle van artikel 5, vierde lid, moet de schuifdeur aan de binnenzijde worden geopend en gesloten.
7. Bij controle van artikel 6, tweede lid, moet de lift in werking worden gesteld.
8. Bij controle van artikel 7, derde lid, moet de vastzetinrichting op het betreffende bevestigingspunt worden aangebracht.
9. Bij controle van artikel 7, vierde lid, moet de vergrendelinrichting worden bediend.
10. Bij controle van artikel 7, vijfde lid, moet worden beproefd of de sluiting van de autogordels functioneert.