1. De vergunninghouder stelt het college onverwijld op de hoogte van deelname door hem in een andere rechtspersoon die houder is van een vergunning of die een vergunning exploiteert.
2. De vergunninghouder stelt het college onverwijld op de hoogte van deelname door een derde als bedoeld in artikel 13c, vierde lid, van de wet in een andere rechtspersoon die houder is van een vergunning of die een vergunning exploiteert.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de bedoelde deelname geschiedt door een dochtermaatschappij in de zin van
artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel door een groepsmaatschappij als bedoeld in
artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.