BWBR0009022
Geldig vanaf 1997-11-17
Artikel 2
Herbevolkingsregeling klassieke varkenspest 1997
1. Het is verboden varkens aan te bieden ten vervoer naar een bedrijf in het herbevolkingsgebied Venhorst of in het herbevolkingsgebied Helmond, niet gelegen in de open lucht, waarvan varkens ingevolge artikel 22, eerste lid, onderdeel f van de Gezondheids- en welzijnswet voor dierenzijn gedood in verband met een besmetting met klassieke varkenspest danwel waarvan varkens na afvoer besmet bleken te zijn, tenzij:
a. de varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees op zodanige wijze individueel geïdentificeerd zijn dat de dieren van elkaar te onderscheiden zijn en
b. de varkens met serologisch negatief resultaat zijn onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus en worden vervoerd binnen 8 dagen na het tijdstip van de uitslag van het onderzoek, hetgeen blijkt uit een door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees vastgestelde verklaring die het vervoer van varkens vergezelt.
2. Het is verboden varkens te vervoeren naar een bedrijf als bedoeld in het eerste lid, tenzij:
a. de varkens met serologisch negatief resultaat zijn onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus en worden vervoerd binnen 8 dagen na het tijdstip van de uitslag van het onderzoek, hetgeen blijkt uit een door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees vastgestelde verklaring die het vervoer van varkens vergezelt;
b. de varkens op het bedrijf worden aangevoerd binnen een periode van 8 dagen na de eerste aanvoer;
c. de varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees op zodanige wijze individueel geïdentificeerd zijn dat de dieren van elkaar te onderscheiden zijn, en
d. het vervoermiddel waarmee de varkens zijn vervoerd na het lossen overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees wordt gereinigd en ontsmet.
3. Het is verboden varkens te ontvangen of aanwezig te hebben op een bedrijf als bedoeld in het eerste lid, tenzij:
a. de varkens die met serologisch negatief resultaat zijn onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus, worden aangevoerd binnen 8 dagen na het tijdstip van de uitslag van het in eerste lid, onderdeel b, bedoelde onderzoek, hetgeen blijkt uit de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde verklaring die de varkens vergezelt;
b. de varkens op het bedrijf zijn aangevoerd binnen een periode van 8 dagen na de eerste aanvoer;
c. de varkens uiterlijk 15 dagen na aankomst overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees serologisch onderzocht worden;
d. de varkens op het bedrijf ten vroegste 40 dagen na de eerste aanvoer van varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees serologisch worden onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van blaasjesziekte, ziekte van Aujeszky en van klassieke varkenspest, en
e. de varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees op zodanige wijze individueel geïdentificeerd zijn dat de dieren van elkaar te onderscheiden zijn.
4. Het is verboden varkens af te voeren van een bedrijf als bedoeld in het eerste lid, tenzij:
a. 60 dagen zijn verstreken na de laatste aanvoer van varkens op het bedrijf,
b. op het bedrijf de verklaring aanwezig is als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
c. wordt voldaan aan de afvoervoorwaarden genoemd in de Regeling vervoersbeperkingen varkens, met dien verstande dat: indien varkens worden afgevoerd van een fokbedrijf naar meer dan 3 afvoeradressen deze dieren overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees met negatief serologisch resultaat onderzocht zijn op de aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus;
varkens mogen worden afgevoerd van een mestbedrijf naar een vermeerderingsbedrijf of van een vermeerderingsbedrijf naar een vermeerderingsbedrijf, mits deze dieren overeenkomstig aanwijzingen van de RVV met negatief serologisch resultaat onderzocht zijn op de aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus.
indien varkens worden afgevoerd van een fokbedrijf naar meer dan 3 afvoeradressen deze dieren overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees met negatief serologisch resultaat onderzocht zijn op de aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus;
varkens mogen worden afgevoerd van een mestbedrijf naar een vermeerderingsbedrijf of van een vermeerderingsbedrijf naar een vermeerderingsbedrijf, mits deze dieren overeenkomstig aanwijzingen van de RVV met negatief serologisch resultaat onderzocht zijn op de aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus.
5. De verboden, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing indien:
a. 60 dagen zijn verstreken na de laatste aanvoer van varkens op het bedrijf en
b. de varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees zijn onderzocht.
a. de varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees op zodanige wijze individueel geïdentificeerd zijn dat de dieren van elkaar te onderscheiden zijn en
b. de varkens met serologisch negatief resultaat zijn onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus en worden vervoerd binnen 8 dagen na het tijdstip van de uitslag van het onderzoek, hetgeen blijkt uit een door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees vastgestelde verklaring die het vervoer van varkens vergezelt.
2. Het is verboden varkens te vervoeren naar een bedrijf als bedoeld in het eerste lid, tenzij:
a. de varkens met serologisch negatief resultaat zijn onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus en worden vervoerd binnen 8 dagen na het tijdstip van de uitslag van het onderzoek, hetgeen blijkt uit een door de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees vastgestelde verklaring die het vervoer van varkens vergezelt;
b. de varkens op het bedrijf worden aangevoerd binnen een periode van 8 dagen na de eerste aanvoer;
c. de varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees op zodanige wijze individueel geïdentificeerd zijn dat de dieren van elkaar te onderscheiden zijn, en
d. het vervoermiddel waarmee de varkens zijn vervoerd na het lossen overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees wordt gereinigd en ontsmet.
3. Het is verboden varkens te ontvangen of aanwezig te hebben op een bedrijf als bedoeld in het eerste lid, tenzij:
a. de varkens die met serologisch negatief resultaat zijn onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus, worden aangevoerd binnen 8 dagen na het tijdstip van de uitslag van het in eerste lid, onderdeel b, bedoelde onderzoek, hetgeen blijkt uit de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde verklaring die de varkens vergezelt;
b. de varkens op het bedrijf zijn aangevoerd binnen een periode van 8 dagen na de eerste aanvoer;
c. de varkens uiterlijk 15 dagen na aankomst overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees serologisch onderzocht worden;
d. de varkens op het bedrijf ten vroegste 40 dagen na de eerste aanvoer van varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees serologisch worden onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van blaasjesziekte, ziekte van Aujeszky en van klassieke varkenspest, en
e. de varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees op zodanige wijze individueel geïdentificeerd zijn dat de dieren van elkaar te onderscheiden zijn.
4. Het is verboden varkens af te voeren van een bedrijf als bedoeld in het eerste lid, tenzij:
a. 60 dagen zijn verstreken na de laatste aanvoer van varkens op het bedrijf,
b. op het bedrijf de verklaring aanwezig is als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
c. wordt voldaan aan de afvoervoorwaarden genoemd in de Regeling vervoersbeperkingen varkens, met dien verstande dat: indien varkens worden afgevoerd van een fokbedrijf naar meer dan 3 afvoeradressen deze dieren overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees met negatief serologisch resultaat onderzocht zijn op de aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus;
varkens mogen worden afgevoerd van een mestbedrijf naar een vermeerderingsbedrijf of van een vermeerderingsbedrijf naar een vermeerderingsbedrijf, mits deze dieren overeenkomstig aanwijzingen van de RVV met negatief serologisch resultaat onderzocht zijn op de aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus.
indien varkens worden afgevoerd van een fokbedrijf naar meer dan 3 afvoeradressen deze dieren overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees met negatief serologisch resultaat onderzocht zijn op de aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus;
varkens mogen worden afgevoerd van een mestbedrijf naar een vermeerderingsbedrijf of van een vermeerderingsbedrijf naar een vermeerderingsbedrijf, mits deze dieren overeenkomstig aanwijzingen van de RVV met negatief serologisch resultaat onderzocht zijn op de aanwezigheid van het klassieke varkenspestvirus.
5. De verboden, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing indien:
a. 60 dagen zijn verstreken na de laatste aanvoer van varkens op het bedrijf en
b. de varkens overeenkomstig aanwijzingen van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees zijn onderzocht.