BWBR0008921
Geldig vanaf 1997-09-22
Artikel 11
Subsidieregeling fokverbod varkens 1997
1. Indien wordt vastgesteld dat het aantal in de aanvraag opgegeven zeugen groter is dan het aantal bij de controle geconstateerde zeugen, wordt de subsidie berekend op basis van het aantal geconstateerde zeugen.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de subsidie tevens berekend over het aantal opgegeven zeugen dat zich ten gevolge van natuurlijke omstandigheden of overmacht als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, onderscheidenlijk 11 van verordenng 3887/92 niet meer op het bedrijf van de aanvrager bevindt, mits de vermindering overeenkomstig artikel 7, onderscheidenlijk 12 is gemeld, met dien verstande dat de subsidie over deze zeugen wordt berekend over de periode gedurende waarin de zeugen daadwerkelijk zijn aangehouden.
3. Onverminderd het eerste lid en indien het in de aanvraag opgegeven aantal zeugen ten hoogste 20 bedraagt en het verschil tussen het aantal opgegeven zeugen en het aantal geconstateerde zeugen:
a. niet groter is dan 2 zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal opgegeven zeugen weergeeft;
b. niet groter is dan 4 zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het dubbele percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal opgegeven zeugen weergeeft;
c. groter is dan 4 zeugen, wordt geen subsidie verstrekt.
4. Indien het in de aanvraag opgegeven aantal zeugen meer dan 20 bedraagt en het verschil tussen het aantal opgegeven zeugen en het aantal geconstateerde zeugen:
a. niet groter is dan 5% van het aantal geconstateerde zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal geconstateerde zeugen weergeeft;
b. groter is dan 5% doch ten hoogste 20% van het aantal geconstateerde zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het dubbele percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal geconstateerde zeugen weergeeft;
c. groter is dan 20 % van het aantal geconstateerde zeugen, wordt geen subsidie verstrekt.
5. Het derde en vierde lid vinden geen toepassing voor zover sprake is van een vermindering als bedoeld in het tweede lid, mits die overeenkomstig artikel 7, onderscheidenlijk 12 is gemeld.
6. Indien de in dit artikel bedoelde verschillen verband houden met een onjuiste aangifte die de aanvrager opzettelijk of door grove nalatigheid heeft gedaan, wordt de aanvrager van deelname aan deze regeling uitgesloten.
7. Behoudens gevallen van overmacht wordt aan de aanvrager geen subsidie verstrekt indien een controle ter plaatse door toedoen van de aanvrager niet kan plaats vinden of indien de aanvrager het voor hem van toepassing zijnde fokverbod heeft overtreden.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de subsidie tevens berekend over het aantal opgegeven zeugen dat zich ten gevolge van natuurlijke omstandigheden of overmacht als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, onderscheidenlijk 11 van verordenng 3887/92 niet meer op het bedrijf van de aanvrager bevindt, mits de vermindering overeenkomstig artikel 7, onderscheidenlijk 12 is gemeld, met dien verstande dat de subsidie over deze zeugen wordt berekend over de periode gedurende waarin de zeugen daadwerkelijk zijn aangehouden.
3. Onverminderd het eerste lid en indien het in de aanvraag opgegeven aantal zeugen ten hoogste 20 bedraagt en het verschil tussen het aantal opgegeven zeugen en het aantal geconstateerde zeugen:
a. niet groter is dan 2 zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal opgegeven zeugen weergeeft;
b. niet groter is dan 4 zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het dubbele percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal opgegeven zeugen weergeeft;
c. groter is dan 4 zeugen, wordt geen subsidie verstrekt.
4. Indien het in de aanvraag opgegeven aantal zeugen meer dan 20 bedraagt en het verschil tussen het aantal opgegeven zeugen en het aantal geconstateerde zeugen:
a. niet groter is dan 5% van het aantal geconstateerde zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal geconstateerde zeugen weergeeft;
b. groter is dan 5% doch ten hoogste 20% van het aantal geconstateerde zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het dubbele percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal geconstateerde zeugen weergeeft;
c. groter is dan 20 % van het aantal geconstateerde zeugen, wordt geen subsidie verstrekt.
5. Het derde en vierde lid vinden geen toepassing voor zover sprake is van een vermindering als bedoeld in het tweede lid, mits die overeenkomstig artikel 7, onderscheidenlijk 12 is gemeld.
6. Indien de in dit artikel bedoelde verschillen verband houden met een onjuiste aangifte die de aanvrager opzettelijk of door grove nalatigheid heeft gedaan, wordt de aanvrager van deelname aan deze regeling uitgesloten.
7. Behoudens gevallen van overmacht wordt aan de aanvrager geen subsidie verstrekt indien een controle ter plaatse door toedoen van de aanvrager niet kan plaats vinden of indien de aanvrager het voor hem van toepassing zijnde fokverbod heeft overtreden.