1. De bij de onderdelen A, C en D van artikel Iaangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel dragen een algemeen karakter.
2. De bedragen, genoemd in
artikel 1, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissenworden vervangen door onderscheidenlijk f 17 566,00 en f 16 471,00.
3. a. De bedragen, genoemd in artikel 1, eerste lid, van de Wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 1993, 218) worden vervangen door f 17 566,00, f 16 471,00 en f 15 444,00;
b. De bedragen, genoemd in artikel 4, eerste lid, van voornoemde wet van 11 september 1964 worden vervangen door onderscheidenlijk f 17 566,00 en f 15 444,00.
4. De bedragen, genoemd in
artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsmanworden vervangen door onderscheidenlijk f 17 566,00 en f 15 444,00.