BWBR0008854
Geldig vanaf 1997-08-01
Artikel 4
Regeling rechtspositie vaste leden van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit
1. In geval de voorzitter of een lid met een gemiddelde tijdbesteding tot drie of meer dagen in de week als bedoeld artikel 5a, derde lid, gedurende zijn benoemingstermijn wordt ontslagen ontvangt deze een uitkering overeenkomstig de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers, tenzij de voorzitter ontslagen wordt op eigen verzoek, dan wel wegens zwaarwichtige redenen zoals ongeschiktheid voor de functie, of onverenigbaarheid van functies en belangen.
2. Indien de voorzitter niet wordt herbenoemd na ommekomst van de benoemingstermijn, heeft deze aanspraak op een uitkering overeenkomstig de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
3. De uitkering wordt toegekend voor een periode gelijk aan het tijdvak waarin betrokkene zonder onderbreking als voorzitter heeft gefunctioneerd, met dien verstande dat de uitkering in ieder geval eindigt wanneer betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt of komt te overlijden.
4. De in het derde lid genoemde uitkeringsperiode zal een termijn van zes jaar niet overschrijden.
5. De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de als voorzitter genoten bruto-bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
6. De inkomsten die de betrokkene geniet uit of in verband met arbeid of bedrijf die niet reeds werden genoten voor het ontslag worden met de uitkering verrekend. Deze verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de bruto-bezoldiging en de vakantie-uitkering, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt.
7. De uitkering wordt in maandelijkse termijnen betaald.
2. Indien de voorzitter niet wordt herbenoemd na ommekomst van de benoemingstermijn, heeft deze aanspraak op een uitkering overeenkomstig de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.
3. De uitkering wordt toegekend voor een periode gelijk aan het tijdvak waarin betrokkene zonder onderbreking als voorzitter heeft gefunctioneerd, met dien verstande dat de uitkering in ieder geval eindigt wanneer betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt of komt te overlijden.
4. De in het derde lid genoemde uitkeringsperiode zal een termijn van zes jaar niet overschrijden.
5. De uitkering bedraagt gedurende het eerste jaar 80% en vervolgens 70% van de als voorzitter genoten bruto-bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.
6. De inkomsten die de betrokkene geniet uit of in verband met arbeid of bedrijf die niet reeds werden genoten voor het ontslag worden met de uitkering verrekend. Deze verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de bruto-bezoldiging en de vakantie-uitkering, waarvan de uitkering is afgeleid, overschrijdt.
7. De uitkering wordt in maandelijkse termijnen betaald.