1. De minister draagt ter uitvoering van richtlijn 96/22/EGen richtlijn 96/23/EGde aan hem in
artikel 19 van de Landbouwwettoegekende bevoegdheden over aan het bestuur van het Produktschap voor Vee en Vlees, het bestuur van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren en het bestuur van het Produktschap Vis voor wat betreft het stellen van regelen met betrekking tot:
a. een verbod om landbouwhuisdieren en aquacultuurdieren waaraan op enigerlei wijze stoffen met thyreostatische, oestrogene, androgene of gestagene werking alsmede ß- agonisten zijn toegediend, in de handel te brengen, behalve wanneer de dieren zijn behandeld overeenkomstig bij of krachtens de Diergeneesmiddelenwet gestelde regels;
b. een verbod om landbouwhuisdieren of aquacultuurdieren in de handel te brengen waaraan op enigerlei wijze zijn toegediend: 1°. farmacologisch werkzame substanties als bedoeld in bijlage IV bij verordening (EEG) nr. 2377/90, voor zover de in artikel 27, eerste lid, van verordening (EG) nr. 470/2009 bedoelde verordening nog niet in werking is getreden en de bijlagen bij verordening (EEG) nr. 2377/90 EG nog van toepassing zijn, of
2°. farmacologisch werkzame substanties die in een lijst zijn ingedeeld overeenkomstig artikel 14, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EG) nr. 470/2009;
1°. farmacologisch werkzame substanties als bedoeld in bijlage IV bij verordening (EEG) nr. 2377/90, voor zover de in artikel 27, eerste lid, van verordening (EG) nr. 470/2009 bedoelde verordening nog niet in werking is getreden en de bijlagen bij verordening (EEG) nr. 2377/90 EG nog van toepassing zijn, of
2°. farmacologisch werkzame substanties die in een lijst zijn ingedeeld overeenkomstig artikel 14, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EG) nr. 470/2009;
c. een verbod om verwerkte producten of vlees van dieren als bedoeld in de onderdelen a en b in de handel te brengen, behalve wanneer de dieren, bedoeld in onderdeel a, zijn behandeld overeenkomstig bij of krachtens de Diergeneesmiddelenwet gestelde regels.