BWBR0008792
Geldig vanaf 1998-08-01
Artikel VI
Wijzigingswet Wet op het voortgezet onderwijs, enz. (profielen voortgezet onderwijs)
A. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld omtrent de gronden waarop en de procedure volgens welke kan worden afgeweken van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het voortgezet onderwijs, ten aanzien van leraren die in vaste dienst zijn verbonden aan een school als bedoeld in artikel 7 of artikel 8 van die wet.
B. De artikelen 12tot en met 15en 22 van de Wet op het voortgezet onderwijszoals luidend ingevolge deze wet zijn, onverminderd onderdeel C:
a. met ingang van 1 augustus 1998 van toepassing op het vierde leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. met ingang van 1 augustus 1999 van toepassing op het vijfde leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
c. met ingang van 1 augustus 2000 van toepassing op het zesde leerjaar van alle scholen, bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
C. 1. In afwijking van artikel 13 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende voorschriften: a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer, geschiedenis.
b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat: 1°. geschiedenis,
2°. wiskunde, en
3°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, en twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
1°. geschiedenis,
2°. wiskunde, en
3°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, en twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer, geschiedenis.
b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat: 1°. geschiedenis,
2°. wiskunde, en
3°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, en twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
1°. geschiedenis,
2°. wiskunde, en
3°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, en twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
2. In afwijking van artikel 14 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende voorschriften: a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer.
b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat: 1°. wiskunde,
2°. geschiedenis,
3°. economie, en
4°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, en een of twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
1°. wiskunde,
2°. geschiedenis,
3°. economie, en
4°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, en een of twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer.
b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat: 1°. wiskunde,
2°. geschiedenis,
3°. economie, en
4°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, en een of twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
1°. wiskunde,
2°. geschiedenis,
3°. economie, en
4°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, en een of twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
3. In afwijking van de artikelen 13, eerste lid, en 14, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, kan het bevoegd gezag besluiten dat het gemeenschappelijk deel pas met ingang van 1 augustus 1999 mede het vak «algemene natuurwetenschappen» omvat.
D. 1. Met betrekking tot de leerjaren waarop de artikelen 12 tot en met 15 en 22 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals gewijzigd door deze wet, nog niet van toepassing zijn, blijven van toepassing de bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften zoals luidend op 31 juli 1998.
2. In het schooljaar 1999–2000 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eindexamen hoger algemeen voortgezet onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften, voor de leerlingen die voor 1 augustus 1998 zijn toegelaten tot het vierde leerjaar.
3. In het schooljaar 2000–2001 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eindexamen voorbereidend wetenschappelijk onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften, voor de leerlingen die voor 1 augustus 1998 zijn toegelaten tot het vierde leerjaar.
4. In het studiejaar 2001–2002 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het examen van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover gericht op het behalen van het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde voorschriften.
5. In het studiejaar 2002–2003 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het examen van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover gericht op het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde voorschriften.
6. In het jaar 2003 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen hoger algemeen voortgezet onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften.
7. In het jaar 2004 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen voorbereidend wetenschappelijk onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften.
8. In afwijking van het tweede en derde lid, kan het bevoegd gezag in het schooljaar 2000–2001 onderscheidenlijk 2001–2002, een eerder afgewezen leerling nogmaals in de gelegenheid stellen het in die leden bedoelde examen af te leggen.
E. Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van artikel Ivan deze wet brengt het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs het schoolwerkplan van die school in overeenstemming met artikel 24 van de Wet op het voortgezet onderwijszoals luidend ingevolge deze wet.
F. 1. Bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van de op 31 juli 1998 geldende voorschriften die ingevolge onderdeel D van toepassing blijven, voor zover dit voor een goede gang van zaken noodzakelijk is.
2. Voor zover deze wet daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij en krachtens deze wet bepaalde, kunnen bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van de door deze wet gewijzigde of toegevoegde bepalingen van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs. Ten behoeve van de goede invoering van de in de eerste volzin bedoelde gewijzigde of toegevoegde bepalingen kan bij ministeriële regeling eveneens worden afgeweken van het overigens bepaalde bij en krachtens de in die volzin genoemde wetten.
B. De artikelen 12tot en met 15en 22 van de Wet op het voortgezet onderwijszoals luidend ingevolge deze wet zijn, onverminderd onderdeel C:
a. met ingang van 1 augustus 1998 van toepassing op het vierde leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. met ingang van 1 augustus 1999 van toepassing op het vijfde leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
c. met ingang van 1 augustus 2000 van toepassing op het zesde leerjaar van alle scholen, bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
C. 1. In afwijking van artikel 13 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende voorschriften: a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer, geschiedenis.
b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat: 1°. geschiedenis,
2°. wiskunde, en
3°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, en twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
1°. geschiedenis,
2°. wiskunde, en
3°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, en twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer, geschiedenis.
b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat: 1°. geschiedenis,
2°. wiskunde, en
3°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, en twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
1°. geschiedenis,
2°. wiskunde, en
3°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, en twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
2. In afwijking van artikel 14 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende voorschriften: a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer.
b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat: 1°. wiskunde,
2°. geschiedenis,
3°. economie, en
4°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, en een of twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
1°. wiskunde,
2°. geschiedenis,
3°. economie, en
4°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, en een of twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer.
b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat: 1°. wiskunde,
2°. geschiedenis,
3°. economie, en
4°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, en een of twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
1°. wiskunde,
2°. geschiedenis,
3°. economie, en
4°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, en een of twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.
3. In afwijking van de artikelen 13, eerste lid, en 14, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, kan het bevoegd gezag besluiten dat het gemeenschappelijk deel pas met ingang van 1 augustus 1999 mede het vak «algemene natuurwetenschappen» omvat.
D. 1. Met betrekking tot de leerjaren waarop de artikelen 12 tot en met 15 en 22 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals gewijzigd door deze wet, nog niet van toepassing zijn, blijven van toepassing de bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften zoals luidend op 31 juli 1998.
2. In het schooljaar 1999–2000 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eindexamen hoger algemeen voortgezet onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften, voor de leerlingen die voor 1 augustus 1998 zijn toegelaten tot het vierde leerjaar.
3. In het schooljaar 2000–2001 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eindexamen voorbereidend wetenschappelijk onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften, voor de leerlingen die voor 1 augustus 1998 zijn toegelaten tot het vierde leerjaar.
4. In het studiejaar 2001–2002 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het examen van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover gericht op het behalen van het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde voorschriften.
5. In het studiejaar 2002–2003 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het examen van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover gericht op het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde voorschriften.
6. In het jaar 2003 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen hoger algemeen voortgezet onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften.
7. In het jaar 2004 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen voorbereidend wetenschappelijk onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften.
8. In afwijking van het tweede en derde lid, kan het bevoegd gezag in het schooljaar 2000–2001 onderscheidenlijk 2001–2002, een eerder afgewezen leerling nogmaals in de gelegenheid stellen het in die leden bedoelde examen af te leggen.
E. Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van artikel Ivan deze wet brengt het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs het schoolwerkplan van die school in overeenstemming met artikel 24 van de Wet op het voortgezet onderwijszoals luidend ingevolge deze wet.
F. 1. Bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van de op 31 juli 1998 geldende voorschriften die ingevolge onderdeel D van toepassing blijven, voor zover dit voor een goede gang van zaken noodzakelijk is.
2. Voor zover deze wet daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij en krachtens deze wet bepaalde, kunnen bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van de door deze wet gewijzigde of toegevoegde bepalingen van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs. Ten behoeve van de goede invoering van de in de eerste volzin bedoelde gewijzigde of toegevoegde bepalingen kan bij ministeriële regeling eveneens worden afgeweken van het overigens bepaalde bij en krachtens de in die volzin genoemde wetten.