BWBR0008789
Geldig vanaf 1997-07-18
Artikel 3
Wet tot wijziging grens tussen de gemeenten Elst en Nijmegen
1. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelt op de wijze als aangegeven in de artikelen 56, tweede lid, 107aen 107b, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijsde stichtings- en opheffingsnormen voor scholen voor basisonderwijs vast voor de bij deze wet betrokken gemeenten onderscheidenlijk delen van gemeenten.
2. Indien de raad van een bij deze wet betrokken gemeente binnen drie maanden na de datum van herindeling een besluit neemt tot splitsing van de gemeente, stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast. Artikel 107b, eerste lid, eerste, tweede en vierde volzin, tweede lid, eerste en derde volzin, derde lid, eerste, derde en vierde volzin, en vierde lid, van de Wet op het basisonderwijsis van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het vierde lid voor «6 maanden» telkens wordt gelezen: 3 maanden.
3. De ingevolge het eerste en tweede lid vastgestelde stichtings- en opheffingsnormen treden in de plaats van de voor de betrokken gemeenten op grond van artikel 56, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 107, tweede lid, 107ben 107c van de Wet op het basisonderwijsvastgestelde normen. De nieuwe normen gelden met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de bij deze wet betrokken gemeenten de normen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.
2. Indien de raad van een bij deze wet betrokken gemeente binnen drie maanden na de datum van herindeling een besluit neemt tot splitsing van de gemeente, stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast. Artikel 107b, eerste lid, eerste, tweede en vierde volzin, tweede lid, eerste en derde volzin, derde lid, eerste, derde en vierde volzin, en vierde lid, van de Wet op het basisonderwijsis van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het vierde lid voor «6 maanden» telkens wordt gelezen: 3 maanden.
3. De ingevolge het eerste en tweede lid vastgestelde stichtings- en opheffingsnormen treden in de plaats van de voor de betrokken gemeenten op grond van artikel 56, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 107, tweede lid, 107ben 107c van de Wet op het basisonderwijsvastgestelde normen. De nieuwe normen gelden met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de bij deze wet betrokken gemeenten de normen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.