BWBR0008619
Geldig vanaf 1997-04-06
Artikel 2
Tijdelijke Regeling inzet extra middelen Jeugd en Veiligheid
1. De uitkering wordt slechts verstrekt indien:
de gemeente niet reeds in het kader van het Grote Stedenbeleid extra financiële middelen voor de ontwikkeling van een lokaal jeugd en veiligheidsbeleid heeft ontvangen of zal ontvangen;
de gemeente zelf voor ten minste 50% bijdraagt aan de financiering van het project.
2. Het gemeentebestuur stelt een plan van aanpak op voor de komende drie jaar. Voorwaarde voor toekenning is dat dit plan ten minste de volgende onderdelen bevat:
een heldere kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de problemen en een aanpak die daar op aansluit;
de doelstellingen van het project, geformuleerd in meetbare termen;
afspraken met derden over hun bijdrage aan de uitvoering van de plannen;
een voorziening voor de overdracht van de resultaten van het project aan andere gemeenten;
een beschrijving van de wijze waarop rijksgelden besteed worden en welke eigen gelden ingezet worden;
3. Aanvragen voor een uitkering dienen voor 9 juli 1997 ingediend te zijn bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. De aanvragen zullen worden beoordeeld door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Bij een inschrijving die het subsidieplafond overstijgt, zal aan de hand van de volgende criteria door beide ministers uit de ingediende plannen een keuze gemaakt worden: spreiding naar gemeentegrootte, doelgroepen, leeftijdsgroepen en soorten activiteiten en de ernst van de lokale problemen.
4. Op basis van de ingediende aanvraag als bedoeld in artikel 2 lid 3, wordt de bijdrage over het jaar 1997 definitief toegekend. Bij deze toekenning worden, zo nodig, de bijdragen voor 1998 en 1999 indicatief aangegeven.
5. De definitieve toekenning van de bijdragen voor respectievelijk het jaar 1998 en 1999 zal plaats hebben in deze jaren zelf en is afhankelijk van de realisatie van de eigen bijdrage van 50% van de gemeente en de inhoudelijke voortgang van de projecten in het vorige jaar.
de gemeente niet reeds in het kader van het Grote Stedenbeleid extra financiële middelen voor de ontwikkeling van een lokaal jeugd en veiligheidsbeleid heeft ontvangen of zal ontvangen;
de gemeente zelf voor ten minste 50% bijdraagt aan de financiering van het project.
2. Het gemeentebestuur stelt een plan van aanpak op voor de komende drie jaar. Voorwaarde voor toekenning is dat dit plan ten minste de volgende onderdelen bevat:
een heldere kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de problemen en een aanpak die daar op aansluit;
de doelstellingen van het project, geformuleerd in meetbare termen;
afspraken met derden over hun bijdrage aan de uitvoering van de plannen;
een voorziening voor de overdracht van de resultaten van het project aan andere gemeenten;
een beschrijving van de wijze waarop rijksgelden besteed worden en welke eigen gelden ingezet worden;
3. Aanvragen voor een uitkering dienen voor 9 juli 1997 ingediend te zijn bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. De aanvragen zullen worden beoordeeld door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Bij een inschrijving die het subsidieplafond overstijgt, zal aan de hand van de volgende criteria door beide ministers uit de ingediende plannen een keuze gemaakt worden: spreiding naar gemeentegrootte, doelgroepen, leeftijdsgroepen en soorten activiteiten en de ernst van de lokale problemen.
4. Op basis van de ingediende aanvraag als bedoeld in artikel 2 lid 3, wordt de bijdrage over het jaar 1997 definitief toegekend. Bij deze toekenning worden, zo nodig, de bijdragen voor 1998 en 1999 indicatief aangegeven.
5. De definitieve toekenning van de bijdragen voor respectievelijk het jaar 1998 en 1999 zal plaats hebben in deze jaren zelf en is afhankelijk van de realisatie van de eigen bijdrage van 50% van de gemeente en de inhoudelijke voortgang van de projecten in het vorige jaar.