BWBR0008351
Geldig vanaf 1996-12-20
Artikel 2
Regeling EG-verklaring advocaten 1996
1. De aanvrager richt zijn verzoek om een EG-verklaring voor de toelating tot het beroep van advocaat of procureur in Nederland tot de algemene raad. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding dat het verzoek een EG-verklaring betreft voor de uitoefening van het beroep van advocaat of procureur.
2. De aanvrager legt tevens ten minste de volgende bescheiden over:
a. het origineel of een gewaarmerkt kopie van het diploma, bedoeld in artikel 2 van de wet;
b. het origineel of een gewaarmerkt kopie van de lijst van vakken, afgegeven door de instelling waar het diploma met succes is behaald, met een cijferlijst van de vakken waarin aanvrager voor het verkrijgen van het diploma, bedoeld in onderdeel a, examen heeft afgelegd;
c. het origineel of een gewaarmerkt kopie van de stageverklaring van een autoriteit die bij of krachtens wet in die lidstaat bevoegd is een dergelijke verklaring af te geven, waaruit blijkt dat de aanvrager met succes de stage heeft voltooid, alsmede een omschrijving van de inhoud van de stage, indien in de lidstaat voor de uitoefening van het beroep van advocaat of procureur een stageverplichting geldt;
d. een uittreksel uit het bevolkingsregister van de lidstaat van herkomst waaruit de nationaliteit van de aanvrager blijkt.
3. Indien het een diploma betreft, afgegeven door een land, niet zijnde een lidstaat, dat door een lidstaat is erkend, legt de aanvrager bovendien nog de volgende bescheiden over:
a. het origineel of een gewaarmerkt kopie van het document waarbij de bevoegde autoriteit van de lidstaat het diploma van het derde land heeft erkend;
b. het origineel of een gewaarmerkt kopie van het bewijs verstrekt door de bij of krachtens wet bevoegde autoriteit van de lidstaat dat de aanvrager daadwerkelijk en rechtmatig een driejarige beroepservaring als advocaat of procureur heeft opgedaan in de lidstaat, die het diploma van het derde land heeft erkend.
4. Van de documenten, bedoeld in het eerste lid tot en met derde lid, en van eventuele andere bescheiden die de aanvrager bij zijn verzoek heeft gevoegd en die niet zijn gesteld in de Nederlandse taal, worden door de aanvrager tevens beëdigde vertalingen in het Nederlands overgelegd.
5. Desgevraagd verschaft de aanvrager de algemene raad andere informatie over de in het curriculum behandelde onderwerpen, dan wel over de inhoud van de onderwezen stof van de door de aanvrager doorlopen opleiding, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding dat het verzoek een EG-verklaring betreft voor de uitoefening van het beroep van advocaat of procureur.
2. De aanvrager legt tevens ten minste de volgende bescheiden over:
a. het origineel of een gewaarmerkt kopie van het diploma, bedoeld in artikel 2 van de wet;
b. het origineel of een gewaarmerkt kopie van de lijst van vakken, afgegeven door de instelling waar het diploma met succes is behaald, met een cijferlijst van de vakken waarin aanvrager voor het verkrijgen van het diploma, bedoeld in onderdeel a, examen heeft afgelegd;
c. het origineel of een gewaarmerkt kopie van de stageverklaring van een autoriteit die bij of krachtens wet in die lidstaat bevoegd is een dergelijke verklaring af te geven, waaruit blijkt dat de aanvrager met succes de stage heeft voltooid, alsmede een omschrijving van de inhoud van de stage, indien in de lidstaat voor de uitoefening van het beroep van advocaat of procureur een stageverplichting geldt;
d. een uittreksel uit het bevolkingsregister van de lidstaat van herkomst waaruit de nationaliteit van de aanvrager blijkt.
3. Indien het een diploma betreft, afgegeven door een land, niet zijnde een lidstaat, dat door een lidstaat is erkend, legt de aanvrager bovendien nog de volgende bescheiden over:
a. het origineel of een gewaarmerkt kopie van het document waarbij de bevoegde autoriteit van de lidstaat het diploma van het derde land heeft erkend;
b. het origineel of een gewaarmerkt kopie van het bewijs verstrekt door de bij of krachtens wet bevoegde autoriteit van de lidstaat dat de aanvrager daadwerkelijk en rechtmatig een driejarige beroepservaring als advocaat of procureur heeft opgedaan in de lidstaat, die het diploma van het derde land heeft erkend.
4. Van de documenten, bedoeld in het eerste lid tot en met derde lid, en van eventuele andere bescheiden die de aanvrager bij zijn verzoek heeft gevoegd en die niet zijn gesteld in de Nederlandse taal, worden door de aanvrager tevens beëdigde vertalingen in het Nederlands overgelegd.
5. Desgevraagd verschaft de aanvrager de algemene raad andere informatie over de in het curriculum behandelde onderwerpen, dan wel over de inhoud van de onderwezen stof van de door de aanvrager doorlopen opleiding, bedoeld in artikel 3, tweede lid.