1. De Minister, kent op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van:
a. het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute;
b. een onherroepelijk besluit ingevolge of in samenhang met het Tracébesluit waarop deze regeling door de Minister in een later stadium van toepassing is verklaard;
c. het Zevenaarproject;
d. het Havenspoorlijnproject; alsmede uit sub a tot en met d voortvloeiende besluiten van bestuursorganen en rechtmatige uitvoeringshandelingen;
een vergoeding naar billijkheid toe, voorzover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voorzover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening òf anderszins is verzekerd.
2. De vergoeding wordt bepaald in geld. Nochtans kan de Minister de vergoeding toekennen in andere vorm dan betaling van een geldsom.
3. Het recht op vergoeding van schade ontstaat niet eerder dan na het onherroepelijk worden van het Tracébesluit danwel het rechtens onaantastbaar zijn van het betreffende bestemmingsplan of een andere planologische maatregel als bedoeld in
artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening, welke voortvloeit uit het Zevenaarproject of het Havenspoorlijnproject.
4. De Minister beslist niet eerder op een ingekomen verzoek dan nadat het recht op schadevergoeding is ontstaan.