BWBR0008183
Geldig vanaf 1996-08-01
Artikel 4
Regeling monitoring fiscale faciliteit wetenschappelijk onderzoek
1. Het college van bestuur van een universiteit verstrekt voor 1 juli van elk kalenderjaar met betrekking tot de werknemer die op 31 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar als assistent in opleiding in dienst is bij een universiteit als bedoeld in artikel 14, eerste lid onder b, van de wet, aan de minister de navolgende inlichtingen:
a. de naam van de universiteit;
b. binnen welke van de HOOP-gebieden betrokkene onderzoek verricht;
c. het geslacht van betrokkene;
d. het soort bedrijf ten behoeve waarvan betrokkene onderzoek verricht.
2. Het college van bestuur van een universiteit verstrekt voor 1 juli van elk kalenderjaar met betrekking tot de werknemer die op 31 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar in dienst is bij een privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO, als bedoeld in artikel 14 eerste lid onder c, van de wet, aan de minister de navolgende inlichtingen:
a. de naam van de universiteit;
b. binnen welke van de HOOP-gebieden betrokkene onderzoek verricht;
c. het geslacht van betrokkene;
d. het soort bedrijf bij welke betrokkene in dienst is
3. Het algemeen bestuur van NWO en het algemeen bestuur van de KNAW verstrekken elk voor 1 juli van elk kalenderjaar met betrekking tot de werknemer die op 31 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar als onderzoeker in opleiding in dienst is bij NWO onderscheidenlijk bij de KNAW: of als onderzoeker in opleiding in dienst is van een onder deze organisaties ressorterende onderzoekinstelling, als bedoeld in artikel 14 eerste lid onder b, van de wet, aan de minister de navolgende inlichtingen:
a. de naam van de universiteit bij welke betrokkene voornemens is te promoveren;
b. binnen welke van de HOOP-gebieden betrokkene onderzoek verricht;
c. het geslacht van betrokkene;
d. het soort bedrijf ten behoeve waarvan betrokkene onderzoek verricht.
a. de naam van de universiteit;
b. binnen welke van de HOOP-gebieden betrokkene onderzoek verricht;
c. het geslacht van betrokkene;
d. het soort bedrijf ten behoeve waarvan betrokkene onderzoek verricht.
2. Het college van bestuur van een universiteit verstrekt voor 1 juli van elk kalenderjaar met betrekking tot de werknemer die op 31 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar in dienst is bij een privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO, als bedoeld in artikel 14 eerste lid onder c, van de wet, aan de minister de navolgende inlichtingen:
a. de naam van de universiteit;
b. binnen welke van de HOOP-gebieden betrokkene onderzoek verricht;
c. het geslacht van betrokkene;
d. het soort bedrijf bij welke betrokkene in dienst is
3. Het algemeen bestuur van NWO en het algemeen bestuur van de KNAW verstrekken elk voor 1 juli van elk kalenderjaar met betrekking tot de werknemer die op 31 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar als onderzoeker in opleiding in dienst is bij NWO onderscheidenlijk bij de KNAW: of als onderzoeker in opleiding in dienst is van een onder deze organisaties ressorterende onderzoekinstelling, als bedoeld in artikel 14 eerste lid onder b, van de wet, aan de minister de navolgende inlichtingen:
a. de naam van de universiteit bij welke betrokkene voornemens is te promoveren;
b. binnen welke van de HOOP-gebieden betrokkene onderzoek verricht;
c. het geslacht van betrokkene;
d. het soort bedrijf ten behoeve waarvan betrokkene onderzoek verricht.