BWBR0008168
Geldig vanaf 1996-07-07
Artikel 2
Regeling vangstbeperking haring
1. Voorzover het betreft de vangst van haring in de sectoren IVa en IVb tezamen, wordt van het in artikel 2, eerste lid, van de Regeling vangstbeperking bedoelde verbod vrijstelling verleend aan:
a. de ondernemer van een vissersvaartuig zolang met dat vissersvaartuig niet meer dan 46,67% van het krachtens artikel 3, eerste lid, van de Regeling contingentering haring 1996 voor dat vaartuig toegekende contingent haring, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, is opgevist;
b. de ondernemer van een vissersvaartuig waarvan het krachtens artikel 3, eerste lid, van de in onderdeel a bedoelde regeling toegekende contingent haring is ingebracht in een groepscontingent, zolang door de betreffende groep niet meer dan 46,67% van het betreffende groepscontingent haring, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, is opgevist en
c. de ondernemer van een vissersvaartuig waarvoor de toestemming, bedoeld in artikel 8, van de in onderdeel a bedoelde regeling is verleend, zolang het samengevoegde contingent, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, voor niet meer dan 46,67% is opgevist.
2. Voorzover het betreft de vangst van haring in de sectoren IVc en VIId tezamen, wordt van het in artikel 2, eerste lid, van de Regeling vangstbeperking bedoelde verbod vrijstelling verleend aan:
a. de ondernemer van een vissersvaartuig zolang met dat vissersvaartuig niet meer dan 58,74% van het krachtens artikel 3, eerste lid, van de Regeling contingentering haring 1996 voor dat vaartuig toegekende contingent haring, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, is opgevist;
b. de ondernemer van een vissersvaartuig waarvan het krachtens artikel 3, eerste lid, van de in onderdeel a bedoelde regeling toegekende contingent haring is ingebracht in een groepscontingent, zolang door de betreffende groep niet meer dan 58,74% van het betreffende groepscontingent haring, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, is opgevist en
c. de ondernemer van een vissersvaartuig waarvoor de toestemming, bedoeld in artikel 8, van de in onderdeel a bedoelde regeling is verleend, zolang het samengevoegde contingent, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, voor niet meer dan 58,74% is opgevist.
a. de ondernemer van een vissersvaartuig zolang met dat vissersvaartuig niet meer dan 46,67% van het krachtens artikel 3, eerste lid, van de Regeling contingentering haring 1996 voor dat vaartuig toegekende contingent haring, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, is opgevist;
b. de ondernemer van een vissersvaartuig waarvan het krachtens artikel 3, eerste lid, van de in onderdeel a bedoelde regeling toegekende contingent haring is ingebracht in een groepscontingent, zolang door de betreffende groep niet meer dan 46,67% van het betreffende groepscontingent haring, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, is opgevist en
c. de ondernemer van een vissersvaartuig waarvoor de toestemming, bedoeld in artikel 8, van de in onderdeel a bedoelde regeling is verleend, zolang het samengevoegde contingent, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, voor niet meer dan 46,67% is opgevist.
2. Voorzover het betreft de vangst van haring in de sectoren IVc en VIId tezamen, wordt van het in artikel 2, eerste lid, van de Regeling vangstbeperking bedoelde verbod vrijstelling verleend aan:
a. de ondernemer van een vissersvaartuig zolang met dat vissersvaartuig niet meer dan 58,74% van het krachtens artikel 3, eerste lid, van de Regeling contingentering haring 1996 voor dat vaartuig toegekende contingent haring, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, is opgevist;
b. de ondernemer van een vissersvaartuig waarvan het krachtens artikel 3, eerste lid, van de in onderdeel a bedoelde regeling toegekende contingent haring is ingebracht in een groepscontingent, zolang door de betreffende groep niet meer dan 58,74% van het betreffende groepscontingent haring, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, is opgevist en
c. de ondernemer van een vissersvaartuig waarvoor de toestemming, bedoeld in artikel 8, van de in onderdeel a bedoelde regeling is verleend, zolang het samengevoegde contingent, vermeerderd of verminderd met eventueel op grond van die regeling verkregen of overgedragen hoeveelheden haring, voor niet meer dan 58,74% is opgevist.