1. Het maken van onderscheid op grond van een verschil in arbeidsduur is verboden bij de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, voortgezet dan wel beëindigd, en bij de voorwaarden waaronder een aanstelling wordt verleend, verlengd dan wel beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid objectief is gerechtvaardigd.
2. Een beding in strijd met het eerste lid is nietig.
3. Het College, genoemd in
artikel 1 van de Wet College voor de rechten van de mens, kan onderzoeken of een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in het eerste lid. De
artikelen 10,
11,
12,
13,
22en
23 van de Wet College voor de rechten van de menszijn van overeenkomstige toepassing.