BWBR0008156
Geldig vanaf 1996-07-15
Artikel 2
Besluit kabelgebonden telecommunicatie-infrastructuur
1. Voorzieningen die de houder van de concessie op grond van artikel 4avan de wet ter beschikking stelt aan een houder van een infrastructuurvergunning, zijn in ieder geval:
a. lokaties waar koppelingen van de telecommunicatie-infrastructuur van een houder van een infrastructuurvergunning aan de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie naar het oordeel van een houder van een infrastructuurvergunning gewenst zijn en door de houder van de concessie gerealiseerd kunnen worden, en
b. koppelvlakken tussen de telecommunicatie-infrastructuur van een houder van een infrastructuurvergunning en de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie die voldoen aan de door een houder van een infrastructuurvergunning gevraagde capaciteit, kwaliteit en eigenschappen.
2. De houder van de concessie stelt de in het eerste lid bedoelde voorzieningen aan een houder van een infrastructuurvergunning ter beschikking binnen vier weken nadat deze een verzoek daartoe aan de houder van de concessie heeft gedaan indien de gevraagde voorzieningen in vooraanleg reeds aanwezig zijn. In geval de gevraagde voorzieningen niet in vooraanleg aanwezig zijn dient de houder van de concessie binnen vier weken aan een houder van een infrastructuurvergunning een bindende offerte te leveren waarin in ieder geval is opgenomen:
a. een beschrijving van de te leveren voorzieningen, waarbij is uitgegaan van de door een houder van een infrastructuurvergunning gevraagde voorzieningen, en
b. de prijs waarvoor en de termijn waarbinnen de gevraagde voorzieningen door de houder van de concessie geleverd zullen worden.
a. lokaties waar koppelingen van de telecommunicatie-infrastructuur van een houder van een infrastructuurvergunning aan de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie naar het oordeel van een houder van een infrastructuurvergunning gewenst zijn en door de houder van de concessie gerealiseerd kunnen worden, en
b. koppelvlakken tussen de telecommunicatie-infrastructuur van een houder van een infrastructuurvergunning en de telecommunicatie-infrastructuur van de houder van de concessie die voldoen aan de door een houder van een infrastructuurvergunning gevraagde capaciteit, kwaliteit en eigenschappen.
2. De houder van de concessie stelt de in het eerste lid bedoelde voorzieningen aan een houder van een infrastructuurvergunning ter beschikking binnen vier weken nadat deze een verzoek daartoe aan de houder van de concessie heeft gedaan indien de gevraagde voorzieningen in vooraanleg reeds aanwezig zijn. In geval de gevraagde voorzieningen niet in vooraanleg aanwezig zijn dient de houder van de concessie binnen vier weken aan een houder van een infrastructuurvergunning een bindende offerte te leveren waarin in ieder geval is opgenomen:
a. een beschrijving van de te leveren voorzieningen, waarbij is uitgegaan van de door een houder van een infrastructuurvergunning gevraagde voorzieningen, en
b. de prijs waarvoor en de termijn waarbinnen de gevraagde voorzieningen door de houder van de concessie geleverd zullen worden.