BWBR0008074
Geldig vanaf 2019-06-14
Artikel 70
Reglement rijbewijzen
1. De eisen waaraan bij het praktijkexamen voertuigbeheersing voor de de rijbewijscategorieën A1, A2 en A dient te worden voldaan betreffen het op juiste en veilige wijze uitvoeren van een aantal bijzondere verrichtingen met het voertuig.
2. De eisen waaraan bij het praktijk-examen verkeersdeelneming voor de de rijbewijscategorieën A1, A2 en A dient te worden voldaan betreffen:
a. bedrevenheid in de bediening van het voertuig;
b. het op juiste en veilige wijze deelnemen aan het verkeer;
c. het kunnen toepassen van de bij en krachtens de wet vastgestelde voorschriften.
3. De eisen waaraan bij het praktijkexamen voor de de rijbewijscategorieën B, C1, C, D1, D, E en T dient te worden voldaan, betreffen:
a. bedrevenheid in de bediening van het voertuig;
b. het op juiste en veilige wijze deelnemen aan het verkeer;
c. het kunnen toepassen van de bij en krachtens de wet vastgestelde voorschriften;
d. het op juiste en veilige wijze uitvoeren van een aantal bijzondere verrichtingen met het voertuig.
4. Het derde lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien de aanvrager bij een vóór het betrokken praktijkexamen door hem afgelegde tussentijdse toets ten genoegen van het CBR heeft aangetoond aan de daar gestelde eis te voldoen.
2. De eisen waaraan bij het praktijk-examen verkeersdeelneming voor de de rijbewijscategorieën A1, A2 en A dient te worden voldaan betreffen:
a. bedrevenheid in de bediening van het voertuig;
b. het op juiste en veilige wijze deelnemen aan het verkeer;
c. het kunnen toepassen van de bij en krachtens de wet vastgestelde voorschriften.
3. De eisen waaraan bij het praktijkexamen voor de de rijbewijscategorieën B, C1, C, D1, D, E en T dient te worden voldaan, betreffen:
a. bedrevenheid in de bediening van het voertuig;
b. het op juiste en veilige wijze deelnemen aan het verkeer;
c. het kunnen toepassen van de bij en krachtens de wet vastgestelde voorschriften;
d. het op juiste en veilige wijze uitvoeren van een aantal bijzondere verrichtingen met het voertuig.
4. Het derde lid, onderdeel d, is niet van toepassing indien de aanvrager bij een vóór het betrokken praktijkexamen door hem afgelegde tussentijdse toets ten genoegen van het CBR heeft aangetoond aan de daar gestelde eis te voldoen.