BWBR0008037
Geldig vanaf 1996-06-01
Artikel 1
Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid
1. De beperkingen met betrekking tot de rijbevoegdheid, bedoeld in de artikelen 16 tot en met 18, 19, 19a, 21, tweede lid, 24, 103, vierde en tiende tot en met twaalfde lid, 111 tot en met 116, 118, 118a, 145, eerste lid, onderdeel i, 192en 193 van het Reglement rijbewijzen, worden in het rijbewijs aangeduid met de coderingen die zijn vastgesteld in de bij deze regeling behorende bijlage.
Indien in combinatie met de in de bijlagevermelde coderingen 01 tot en met 44 nadere specificaties moeten worden vermeld, worden deze met letters aangeduid met de volgende betekenis:
a. links;
b. rechts;
c. hand;
d. voet;
e. midden;
f. arm;
g. duim.
2. In het rijbewijs worden van de in de bij deze regeling behorende bijlagevastgestelde coderingen uitsluitend de hoofdcoderingen vermeld. De subcoderingen worden uitsluitend vermeld voor zover de vermelding op grond van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (Pb EU L 403) verplicht is.
3. In het rijbewijzenregister worden hoofdcoderingen en subcoderingen geregistreerd.
4. Indien het rijbewijs is voorzien van een microchip worden, in afwijking van het derde lid, op de microchip bij alle hoofdcoderingen eveneens alle subcoderingen vermeld.
Indien in combinatie met de in de bijlagevermelde coderingen 01 tot en met 44 nadere specificaties moeten worden vermeld, worden deze met letters aangeduid met de volgende betekenis:
a. links;
b. rechts;
c. hand;
d. voet;
e. midden;
f. arm;
g. duim.
2. In het rijbewijs worden van de in de bij deze regeling behorende bijlagevastgestelde coderingen uitsluitend de hoofdcoderingen vermeld. De subcoderingen worden uitsluitend vermeld voor zover de vermelding op grond van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (Pb EU L 403) verplicht is.
3. In het rijbewijzenregister worden hoofdcoderingen en subcoderingen geregistreerd.
4. Indien het rijbewijs is voorzien van een microchip worden, in afwijking van het derde lid, op de microchip bij alle hoofdcoderingen eveneens alle subcoderingen vermeld.