BWBR0007897
Geldig vanaf 1996-02-28
Artikel 11
Besluit Nederlands instituut fysieke veiligheid
1. Onze Minister beslist vóór 1 oktober over de goedkeuring van de begroting van de inkomsten en uitgaven voor het daarop volgende kalenderjaar, de meerjarenraming van de inkomsten en uitgaven, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven, bedoeld in artikel 9, eerste lid.
2. Indien Onze Minister de begroting, bedoeld in het eerste lid, goedkeurt, stelt hij de bijdrage en, voor zover van toepassing, de tijdelijke bijdrage, bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s, onder voorbehoud van overeenkomstige vaststelling van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voorlopig vast en verstrekt hij daarover op kwartaalbasis voorschotten.
3. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk over de goedkeuring van een bijstelling van de begroting, bedoeld in artikel 8, tweede lid. Hij kan de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede lid, bijstellen indien de bijstelling van de begroting daartoe aanleiding geeft.
4. Onze Minister stelt aan de hand van de gegevens in de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, vóór 1 oktober volgend op het kalenderjaar waarvoor de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede en derde lid, is vastgesteld, de bijdrage definitief vast.
5. De definitieve bijdrage, bedoeld in het vierde lid, kan:
a. op een lager bedrag worden vastgesteld dan de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede en derde lid, indien deze niet aan één van de taken van het instituut, bedoeld in de artikelen 66, tweede lid, en 66a van de Wet veiligheidsregio’s, is besteed;
b. op een ander bedrag worden vastgesteld dan de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede en derde lid, in verband met: 1°. loon- en prijsmutaties die tot wijzigingen in de begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben geleid;
2°. overige wijzigingen in de desbetreffende begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1°. loon- en prijsmutaties die tot wijzigingen in de begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben geleid;
2°. overige wijzigingen in de desbetreffende begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
6. Onze Minister verrekent het verschil tussen de definitieve bijdrage, bedoeld in het vierde lid, en de verstrekte voorschotten, bedoeld in het tweede lid, met het eerstvolgende voorschot.
2. Indien Onze Minister de begroting, bedoeld in het eerste lid, goedkeurt, stelt hij de bijdrage en, voor zover van toepassing, de tijdelijke bijdrage, bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s, onder voorbehoud van overeenkomstige vaststelling van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voorlopig vast en verstrekt hij daarover op kwartaalbasis voorschotten.
3. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk over de goedkeuring van een bijstelling van de begroting, bedoeld in artikel 8, tweede lid. Hij kan de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede lid, bijstellen indien de bijstelling van de begroting daartoe aanleiding geeft.
4. Onze Minister stelt aan de hand van de gegevens in de rekening en verantwoording van de inkomsten en uitgaven, bedoeld in artikel 9, eerste lid, vóór 1 oktober volgend op het kalenderjaar waarvoor de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede en derde lid, is vastgesteld, de bijdrage definitief vast.
5. De definitieve bijdrage, bedoeld in het vierde lid, kan:
a. op een lager bedrag worden vastgesteld dan de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede en derde lid, indien deze niet aan één van de taken van het instituut, bedoeld in de artikelen 66, tweede lid, en 66a van de Wet veiligheidsregio’s, is besteed;
b. op een ander bedrag worden vastgesteld dan de voorlopige bijdrage, bedoeld in het tweede en derde lid, in verband met: 1°. loon- en prijsmutaties die tot wijzigingen in de begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben geleid;
2°. overige wijzigingen in de desbetreffende begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
1°. loon- en prijsmutaties die tot wijzigingen in de begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben geleid;
2°. overige wijzigingen in de desbetreffende begrotingsartikelen in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
6. Onze Minister verrekent het verschil tussen de definitieve bijdrage, bedoeld in het vierde lid, en de verstrekte voorschotten, bedoeld in het tweede lid, met het eerstvolgende voorschot.