1. Voorzover het bedrag van de verleende instellingssubsidie, zonder toepassing van de in artikel 3abedoelde vermindering, na uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten overeenkomstig de geldende verplichtingen, niet is besteed aan de doeleinden waarvoor het is verstrekt, wordt het gereserveerd.
2. Voor de berekening van het in het eerste lid bedoelde te reserveren bedrag wordt het totaal van de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten, bestaande uit de verleende instellingssubsidie en de gerealiseerde overige baten, verminderd met de lasten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze uitkomst wordt toegerekend naar rato van de verleende instellingssubsidie en de, in de ingediende begroting opgenomen, met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende, overige baten. Het te reserveren bedrag is het aan de instellingssubsidie toegerekende deel.
3. Toevoegingen aan voorzieningen als bedoeld in
artikel 374, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die samenhangen met de gesubsidieerde activiteiten, worden gerekend tot de lasten van de gesubsidieerde activiteiten, bedoeld in het tweede lid, tenzij de minister anders bepaalt.
4. Indien in de ingediende begroting onder de met de gesubsidieerde activiteiten samenhangende baten een vrijgevallen voorziening is opgenomen, blijft deze buiten beschouwing bij de berekening van het te reserveren bedrag, bedoeld in het tweede lid.
5. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 19.
6. De in het eerste lid bedoelde reservering kan uitsluitend worden besteed aan doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt.
7. Het totaal van de in het eerste lid bedoelde reservering bedraagt ten hoogste 10% van het bedrag van de verleende subsidie, zonder toepassing van de in artikel 3abedoelde vermindering. In afwijking van de eerste volzin is in geval van een meerjarige instellingssubsidie, het percentage gelijk aan 10 gedeeld door het aantal jaren waarvoor de subsidie is verleend.