1. De toezichthoudende autoriteiten stellen jaarlijks voor 1 november elk een begroting op van de in het daarop volgende jaar te verwachten kosten en ontvangsten, op een zodanige wijze dat de kosten structureel worden gedekt uit de ontvangsten.
2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn de kosten voor de toezichthoudende autoriteiten verbonden aan de uitvoering van de wet. Deze worden onderverdeeld in:
a. personeelskosten;
b. huisvestingskosten;
c. algemene beheerskosten;
d. overige indirecte kosten; en
e. het ingevolge artikel 13 berekende bedrag.
3. De ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, worden begroot op grond van de bedragen zoals die na het overleg, bedoeld in artikel 8, naar verwachting van de toezichthoudende autoriteiten, door de minister zullen worden vastgesteld. Deze worden onderverdeeld in ontvangsten van vergunningaanvragers, beleggingsinstellingen die de in
artikel 17, eerste lid, van de wetbedoelde mededeling doen, vergunninghouders alsmede beleggingsinstellingen die ingevolge
artikel 17, vierde lid, van de wetzijn toegelaten.
4. De toezichthoudende autoriteiten geven ieder aan een accountant opdracht om voor de datum van publicatie als bedoeld in artikel 11, eerste lid, de begroting te toetsen aan deze regeling. De toezichthoudende autoriteiten zenden een afschrift van het rapport van de accountant aan de minister.