BWBR0007744
Geldig vanaf 1995-12-31
Artikel 2
Regeling benzinevervoer in mobiele tanks
1. Mobiele tanks worden zodanig ontworpen en geëxploiteerd, dat de restdampen na het lossen van de benzine in de tank blijven.
2. Mobiele tanks die benzine aan benzinestations of aan terminals leveren, worden zodanig ontworpen en geëxploiteerd, dat zij retourdampen uit de opslaginstallaties van de benzinestations of de terminals opvangen en opslaan. Voor tankwagons is dit alleen vereist wanneer zij benzine leveren aan benzinestations of aan terminals met voorlopige dampopslag.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde dampen blijven in de mobiele tank opgeslagen totdat in een terminal wordt herladen, uitgezonderd voor de afvoer via de veiligheidsoverdrukkleppen.
4. Wanneer de schipper aannemelijk kan maken dat de mobiele tank na het lossen van de benzine zal worden beladen met een ander product dan benzine en wanneer op de plaats van het lossen van de benzine en het laden van het andere product geen voorzieningen voor dampterugwinning of voorlopige dampopslag aanwezig zijn, is ontgassing toegestaan, onverminderd randnummer 7.2.3.7 van bijlage 1 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen.
5. Een aangewezen instantie als bedoeld in bijlage 4 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, voorzover betreffende randnummer 7.2.3.7, kan de ontgassing, bedoeld in het vierde lid, voor de binnenvaart verbieden voor een bepaalde periode, indien dit verbod strekt ter uitvoering van een door de Minister aangewezen geoperationaliseerd regionaal of lokaal programma ter bestrijding van milieuverontreiniging. Een zodanig programma is in ieder geval het waarschuwingssysteem verhoogde luchtverontreiniging DCMR van de DCMR Milieudienst Rijnmond.
2. Mobiele tanks die benzine aan benzinestations of aan terminals leveren, worden zodanig ontworpen en geëxploiteerd, dat zij retourdampen uit de opslaginstallaties van de benzinestations of de terminals opvangen en opslaan. Voor tankwagons is dit alleen vereist wanneer zij benzine leveren aan benzinestations of aan terminals met voorlopige dampopslag.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde dampen blijven in de mobiele tank opgeslagen totdat in een terminal wordt herladen, uitgezonderd voor de afvoer via de veiligheidsoverdrukkleppen.
4. Wanneer de schipper aannemelijk kan maken dat de mobiele tank na het lossen van de benzine zal worden beladen met een ander product dan benzine en wanneer op de plaats van het lossen van de benzine en het laden van het andere product geen voorzieningen voor dampterugwinning of voorlopige dampopslag aanwezig zijn, is ontgassing toegestaan, onverminderd randnummer 7.2.3.7 van bijlage 1 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen.
5. Een aangewezen instantie als bedoeld in bijlage 4 van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen, voorzover betreffende randnummer 7.2.3.7, kan de ontgassing, bedoeld in het vierde lid, voor de binnenvaart verbieden voor een bepaalde periode, indien dit verbod strekt ter uitvoering van een door de Minister aangewezen geoperationaliseerd regionaal of lokaal programma ter bestrijding van milieuverontreiniging. Een zodanig programma is in ieder geval het waarschuwingssysteem verhoogde luchtverontreiniging DCMR van de DCMR Milieudienst Rijnmond.