1. De Pensioen- & Verzekeringskamer brengt de begrote kosten voor een jaar geheel of gedeeltelijk door middel van een aanslag in rekening bij de verzekeraars. De aanslag bestaat uit een vast bedrag van € 680,67, vermeerderd met een bedrag dat van jaar tot jaar wordt vastgesteld als een percentage van het premie-inkomen van de verzekeraar, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
2. Het percentage wordt vastgesteld door de begrote kosten, verminderd met het totaal van de vaste bedragen, te delen door het totaal van het premie-inkomen van alle verzekeraars te zamen.
3. Aan verzekeraars aan wie in het jaar waarin de aanslag wordt opgelegd voor de eerste maal een vergunning dan wel een verklaring wordt verleend, wordt het vaste bedrag in rekening gebracht. Aan verzekeraars als bedoeld in
artikel 94, vierde lid, van de WTN, wordt in 1996 uitsluitend het vaste bedrag in rekening gebracht.
4. Het verschil tussen de in een jaar gemaakte kosten en de ontvangsten wordt verrekend met de begrote kosten met betrekking tot het volgende jaar. De Pensioen- & Verzekeringskamer doet in haar jaarstukken opgave van deze kosten en ontvangsten.