1. Een aanvraag om een vergunning als bedoeld in
artikel 3 van de Drank- en Horecawetwaarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet is beslist wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het voldoen aan vestigingseisen, vanaf dat tijdstip beschouwd als een aanvraag om een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf, bedoeld in artikel 4 van het Vestigingsbesluit bedrijven. Ten aanzien van de beslissing op die aanvraag blijven de eisen van handelskennis van toepassing zoals die voor dat tijdstip golden krachtens
artikel 7 van de Drank- en Horecawet.
2. Een aanvraag om een verklaring van handelskennis als bedoeld in
artikel 41 van de Drank- en Horecawetwaarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet is beslist wordt vanaf dat tijdstip beschouwd als een aanvraag om een verklaring van algemene ondernemersvaardigheden als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit
Vestigingswet Bedrijven 1954.
3. Een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in
artikel 42 van de Drank- en Horecawetof artikel 13 van de Vestigingswet detailhandel waarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet is beslist wordt vanaf dat tijdstip beschouwd als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in
artikel 15 van de Vestigingswet Bedrijven 1954.
4. Ten aanzien van de beslissing op een aanvraag om een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in
artikel 41 van de Drank- en Horecawetwaarop voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet niet is beslist, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.