BWBR0007616
Geldig vanaf 1995-11-08
Artikel 3
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaren Rijkswaterstaat 1995
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens
a. de wetten, genoemd in artikel 1a van de Wet op de economische delicten;
b. de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterstaatswet 1900, de Wet op de waterhuishouding, de Scheepvaartverkeerswet, de Ontgrondingenwet en;
c. andere wetten, indien en voor zover hij in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van Justitie daarmee wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar is tevens bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze strafbare feiten verband houden met de opsporing van strafbare feiten op basis van de in het eerste lid genoemde wetten.
3. De opsporingsbevoegheid geldt voor het grondgebied van Nederland en daarbuiten voor zover de rechtsmacht van Nederland strekt.
a. de wetten, genoemd in artikel 1a van de Wet op de economische delicten;
b. de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterstaatswet 1900, de Wet op de waterhuishouding, de Scheepvaartverkeerswet, de Ontgrondingenwet en;
c. andere wetten, indien en voor zover hij in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van Justitie daarmee wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar is tevens bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze strafbare feiten verband houden met de opsporing van strafbare feiten op basis van de in het eerste lid genoemde wetten.
3. De opsporingsbevoegheid geldt voor het grondgebied van Nederland en daarbuiten voor zover de rechtsmacht van Nederland strekt.