1. Pachtovereenkomsten, die lopen op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet en na dit tijdstip vallen onder de termen van
artikel 58 zoals dit dan luidt, blijven beheerst worden door de
Pachtwet zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van de
artikelen 19 en
56i.
2. Pachtverhoudingen en pachtovereenkomsten die ingevolge
Hoofdstuk VII, Titel 2, van de Landinrichtingswet (
Stb. 1985, 299) ontstaan, blijven beheerst worden door de
Pachtwet zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van de
artikelen 19 en
56i. Het bepaalde in de vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de ingevolge
artikel 20 onderscheidenlijk
artikel 25 van de Reconstructiewet Midden-Delfland (
Stb. 1977, 233) of
artikel 61 onderscheidenlijk
artikel 66 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (
Stb. 1977, 694) of
artikel 54 onderscheidenlijk
artikel 76 van de Wet inrichting landelijk gebied of
artikel 65 onderscheidenlijk
artikel 85 van de Reconstructiewet concentratiegebieden nieuw te vestigen pachtverhoudingen onderscheidenlijk door de grondkamer te ontwerpen pachtovereenkomsten.
3.
Artikel 56i is niet van toepassing op gevallen waarbij de verpachter aan de in
artikel 56b bedoelde verplichting heeft voldaan op het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 56i.