1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd bij de opsporing van de in artikel 3, eerste lid, genoemde strafbare feiten gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in
artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993. Hij gedraagt zich overeenkomstig het bepaalde in
hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van zijn taak uitgerust zijn met:
a. een pistool van het merk ’Glock’, type 17, kaliber 9 mm;
b. een kort model wapenstok van een door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type;
c. handboeien van een door de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type.