BWBR0007430
Geldig vanaf 1995-06-28
Artikel 3
Besluit ex artikel XVIII Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (wijziging bezoldigingsstructuur)
1. Een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel XVIII, derde lid, van de Wet:
a. wordt, voor zover deze in verband met gederfde pensioenaanspraken wordt toegekend, berekend op gelijke wijze als een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 2, en
b. is, voor zover deze in verband met een te laag vastgestelde VUT-uitkering wordt toegekend, gelijk aan de nominale waarde van het verschil tussen, enerzijds, de VUT-uitkering die op basis van het hogere salarisbedrag, bedoeld in artikel XVIII van de Wet zou gelden en, anderzijds, de werkelijk genoten VUT-uitkering.
2. Voor zover de eenmalige uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betrekking heeft op een op 1 april 1994 nog lopende VUT-uitkering, wordt voor "nominale waarde" gelezen: contante waarde per 1 april 1994 op basis van een rekenrente van 4%.
a. wordt, voor zover deze in verband met gederfde pensioenaanspraken wordt toegekend, berekend op gelijke wijze als een eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 2, en
b. is, voor zover deze in verband met een te laag vastgestelde VUT-uitkering wordt toegekend, gelijk aan de nominale waarde van het verschil tussen, enerzijds, de VUT-uitkering die op basis van het hogere salarisbedrag, bedoeld in artikel XVIII van de Wet zou gelden en, anderzijds, de werkelijk genoten VUT-uitkering.
2. Voor zover de eenmalige uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betrekking heeft op een op 1 april 1994 nog lopende VUT-uitkering, wordt voor "nominale waarde" gelezen: contante waarde per 1 april 1994 op basis van een rekenrente van 4%.