1. In afwijking van
artikel 85 van de Wet op het voortgezet onderwijszoals luidend met ingang van 1 augustus 1996, wordt de in dat artikel bedoelde gemiddelde personeelslast voor elk van de schooljaren 1996-1997 en 1997-1998 vastgesteld per school of scholengemeenschap. Voor elk van deze schooljaren is de gemiddelde personeelslast:
a. de door Onze minister ten behoeve van die vaststelling in beschouwing genomen personele uitgaven van de school of scholengemeenschap in het schooljaar 1994-1995, gedeeld door het door Onze minister ten behoeve van die vaststelling berekende aantal formatieplaatsen van de school of scholengemeenschap,
b. in voorkomende gevallen verhoogd of verlaagd wegens algemene salarismaatregelen en incidentele loonontwikkelingen die betrekking hebben op een of meer van de in beschouwing genomen soorten van personele uitgaven, alsmede verlaagd met een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage voorzover het betreft leraren in een schaal 10-functie met uitzicht op een schaal 12-functie aan een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs en een scholengemeenschap waarvan ten minste een van deze scholen deel uitmaakt, in verband met het Besluit van 23 maart 1985 (Stb. 155) tot wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, en
c. indien het door de begrotingswetgever voorziene beloop van de personele uitgaven voor deze scholen en scholengemeenschappen daartoe noodzaakt, verhoogd of verlaagd met een percentage zodanig dat het totaal van de berekende personele vergoedingen in overeenstemming is met dat uitgavenbeloop.
2. Voor een school of scholengemeenschap die op 1 augustus 1996 met toepassing van
artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijsis ontstaan door samenvoeging, worden in afwijking van het eerste lid de in dat lid onder
abedoelde personele uitgaven voor het schooljaar 1996-1997 vastgesteld door de som van de in het eerste lid onder
abedoelde in beschouwing genomen uitgaven van de betrokken scholen of scholengemeenschappen waarop de samenvoeging betrekking heeft, te delen door de som van het in het eerste lid onder
abedoelde aantal berekende formatieplaatsen van die scholen of scholengemeenschappen voor dat schooljaar.
3. Voor een school of scholengemeenschap ten aanzien waarvan voor 1 oktober 1996 een verzoek ingevolge
artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijsis ingediend met het oogmerk van samenvoeging op 1 augustus 1997, wordt de in het eerste lid bedoelde gemiddelde personeelslast voor het schooljaar 1997-1998 vastgesteld door de som van de op dat schooljaar betrekking hebbende personele vergoedingen voor de betrokken scholen of scholengemeenschappen te delen door de som van het aantal formatieplaatsen van die scholen of scholengemeenschappen voor dat schooljaar.
4. Het bepaalde bij en krachtens de
Wet op het voortgezet onderwijszoals op grond van deze wet luidend met ingang van 1 augustus 1996, vindt met inachtneming van dit artikel in het schooljaar 1995-1996 op overeenkomstige wijze toepassing ten behoeve van de vaststelling van de personele vergoedingen voor het schooljaar 1996-1997.
5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de toepassing van dit artikel en wordt het in het eerste lid bedoelde percentage vastgesteld.