BWBR0007362
Geldig vanaf 2000-10-01
Artikel 2
Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening
1. De hoogte van de eigen bijdrage van een jeugdige die over een inkomen beschikt of die recht kan doen gelden op een inkomen wordt vastgesteld op een bedrag gelijk aan het netto-maandinkomen, verminderd met:
- 1/3 van het netto-maandinkomen, indien het betreft een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel
- 1/3 van het netto-maandinkomen uit arbeid tenzij het betreft een inkomen uit arbeid van een schoolgaande jeugdige van € 635,29 of minder op jaarbasis.
2. Indien het inkomen als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een uitkering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000wordt de bijdrage verminderd met:
- het deel van de uitkering dat volgens de normen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bedoeld is voor boeken, leermiddelen of onderwijsbijdrage, en
- de te betalen premie voor een ten behoeve van de jeugdige gesloten verzekering tegen ziektekosten tot ten hoogste € 45,38 per maand, tenzij de jeugdige (mede)verzekerd kan zijn op grond van de Ziekenfondswet of ter zake van ziektekosten verzekerd is door zijn wettelijke vertegenwoordigers.
3. Van een jeugdige die ouder is van een éénoudergezin en waarvan een of meer kinderen niet zijn geplaatst in een voorziening van residentiële hulpverlening of van pleegzorg, wordt de eigen bijdrage als bedoeld in het eerste of tweede lid, verlaagd met € 111,68, met dien verstande dat, indien de jeugdige geen recht op kinderbijslag heeft, het bedrag van € 111,68 wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan het bedrag van de kinderbijslag voor het aantal kinderen welke niet in een voorziening van residentiële hulpverlening of van pleegzorg zijn geplaatst.
4. Van een jeugdige welke voorafgaande aan de plaatsing duurzaam een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met iemand die niet zijn bloedverwant is en niet is geplaatst in een voorziening van residentiële hulpverlening of van pleegzorg, is de eigen bijdrage de helft van de bijdrage, bepaald op grond van het eerste tot en met derde lid.
- 1/3 van het netto-maandinkomen, indien het betreft een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, dan wel
- 1/3 van het netto-maandinkomen uit arbeid tenzij het betreft een inkomen uit arbeid van een schoolgaande jeugdige van € 635,29 of minder op jaarbasis.
2. Indien het inkomen als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een uitkering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000wordt de bijdrage verminderd met:
- het deel van de uitkering dat volgens de normen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bedoeld is voor boeken, leermiddelen of onderwijsbijdrage, en
- de te betalen premie voor een ten behoeve van de jeugdige gesloten verzekering tegen ziektekosten tot ten hoogste € 45,38 per maand, tenzij de jeugdige (mede)verzekerd kan zijn op grond van de Ziekenfondswet of ter zake van ziektekosten verzekerd is door zijn wettelijke vertegenwoordigers.
3. Van een jeugdige die ouder is van een éénoudergezin en waarvan een of meer kinderen niet zijn geplaatst in een voorziening van residentiële hulpverlening of van pleegzorg, wordt de eigen bijdrage als bedoeld in het eerste of tweede lid, verlaagd met € 111,68, met dien verstande dat, indien de jeugdige geen recht op kinderbijslag heeft, het bedrag van € 111,68 wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan het bedrag van de kinderbijslag voor het aantal kinderen welke niet in een voorziening van residentiële hulpverlening of van pleegzorg zijn geplaatst.
4. Van een jeugdige welke voorafgaande aan de plaatsing duurzaam een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met iemand die niet zijn bloedverwant is en niet is geplaatst in een voorziening van residentiële hulpverlening of van pleegzorg, is de eigen bijdrage de helft van de bijdrage, bepaald op grond van het eerste tot en met derde lid.