1. De aangifteplichtige draagt ervoor zorg dat:
a. kadavers van slachtdieren, met uitzondering van kalveren, en van voor de landbouwproductie gehouden dieren, beide tot een gewicht van 40 kg, tot het moment waarop dit materiaal wordt opgehaald, worden bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C;
b. hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen c, d en e van de wet, met uitzondering van bloed, tot het moment waarop dit materiaal wordt opgehaald, wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C;
c. hoog-risico-materiaal als bedoeld in onderdeel b, voor zover het betreft bloed, tot het moment waarop dit materiaal wordt opgehaald, wordt bewaard bij een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C;
d. gespecificeerd hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen c en k, van de Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal 2000, tot het moment waarop dit materiaal wordt opgehaald, wordt bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C of een inwendige temperatuur van ten hoogste 15°C.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op hoog-risico-materiaal of gespecificeerd hoog-risico-materiaal dat ontstaat op slachterijen, mits dit materiaal op dezelfde dag waarop het als zodanig is ontstaan, wordt opgehaald.